Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want'de nog bruisende levenskracht van het nog in-gezonde deel der jeugd schept geen verheugenis in laffe oefeningetjes, waarin zij geen weerstand te overwinnen voelt; en het zwakkere deel moet juist door den prikkel der verheugenis tot arbeiden aangezet worden.

Laten wij toch steeds bedenken, dat de leeftijd, waarin de lichamelijke opvoeding haar invloed moet doen geldèn, samenvalt met den schoolleeftijd, en voor een deel ook met het beroepsleven, die beiden aan de jeugd reeds vroeg een taak stellen, die in den grond geheel vreemd is aan,geheel in strijd zelfs is met de behoefte aan veelvuldige en opgewekte beweging van het lichaam gedurende het groeitijdperk. De weidetijd duurt slechts kort voor onze jeugd: de jaren, waarin geest en lichaam zich in speelschen arbeid vrij kunnen ontwikkelen, zijn met het zesde levensjaar reeds afgesloten.

Dan komt de school met haar urenlang gedwongen onbeweeglijkheid, en de volgehouden geestelijke en lichamelijke inspanning. Gij kunt het op de gezichten lezen; aan de slappe inzinking der lichamen is het op te merken, en uit de ongedurige beweeglijkheid na te gaan, hoe lichaam en geest in afwisselende onderwerping en revolutie zijn, onder den onbehaaglijken dwang van het langdurig gebonden zijn.

In het beroepsleven is het in den grond niet anders. Het dagelijksch verblijf op de kantoorkruk, de éénzijdige inspanningen in het ambachtsbedrijf, zoowel als in het intellectueele beroep — zij putten het lichamelijk en geestelijk weerstandsvermogen van het groeiende lichaam uit, waarvan de gevolgen straks, op den volwassen leeftijd, zullen blijken.

De taak der lichamelijke opvoeding ligt hier open en klaar. Zij moet de jeugd aanzetten, door gepasten lichamelijken arbeid de regenereerende krachten van het lichaam aan het werk te zetten, als tegenwicht tegen de ondergane verslappende invloeden. Het zijn de natuurlijke lichaamsoefeningen, die uit eigen kracht de jeugd tot dezen arbeid kunnen aanzetten; de natuurlijke lichaamsoefeningen, die in zichzelve de bron der vreugde bezitten, omdat zij voor de jeugd het karakter van speelsche bezigheid hebben. Zoodra dit karakter van speelsche

Sluiten