Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan werd, en waarbij geen interruptie van dienstboden geduld werd, — noch van gasten, die èf meelazen of boven moesten blijven; — noch van bezoeken of uitstapjes, uitgezonderd werkelijk reizen) moest ik een paar verzen leeren, of iets herhalen dat reeds bekend was, om zekerheid te hebben dat ik het niet vergeten was; en behalve de hoofdstukken boven opgenoemd (Brief XLII) moest ik de geheele verzameling mooie oude Schotsche bijbelzangen uit 't hoofd leeren, welke goede, melodieuze en krachtvolle poëzie zijn, en waaraan, naast den Bijbel zelf, ik de eerste oefening van mijn oor in klank te danken heb.

Het is vreemd dat van al de stukken uit den Bijbel, die mijn moeder mij aldus leerde, het stuk dat mij de meeste inspanning kostte en dat voor mijn kindergemoed in 't bijzonder afkeerwekkend was — de 119e Psalm — mij nu van alle het dierbaarste is geworden, in zijn overvloeienden en heerlijken hartstocht van liefde voor Gods Wet: „Hoe lief heb ik Uwe Wet! Zij is mijne betrachting den ganschen dag; ik heb mijne voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zoude onderhouden" — als tegenovergesteld aan de immer-weerklinkende woorden van den modernen geld-lievenden dwaas: „Hoe haat ik Uwe wet! Zij is mij een gruwel den ganschen dag; mijne voeten zijn snel in het spoeden naar verderf; en ik heb alles gedaan wat ik niet moest doen; en ongedaan gelaten alles wat ik doen moest; wees mij, ellendige zondaar, genadig en sta toe dat ik, waardig betreurende mijne zonden en erkennende mijne ellendigheid, van U, den alvergevenden God, moge ontvangen volkomen vergiffenis, — en geef mij mijn gevulde beurs hier, en mijn eeuwig Paradijs hiernamaals, alles,

II

Mensch en Maatschappij 4

Sluiten