Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEF LIV

|00R ik verder ga met mijn eigen ge-

I schiedems vandaag, moet ik een voorjnaam beginsel vastklinken omtrent ! „goed werk doen", dat nog niet duideliik erenoec eremaakt is.

Het is een overheerschend denkbeeld geweest in de hoofden van welgezinde menschen dat, als ze maar volgens hun eigen geweten handelden, ze reeds daarom goed handelden.

Maar, dit voelende en bewerende, nemen zij aan dat er öf geen Wet van God is, öf dat zij niet gekend kan worden, maar slechts gevoeld of vermoed.

„Ik moet doen wat ik denk dat goed is." Hoe dikwijls wordt deze- zin geuit en wordt er naar gehandeld — dapper, — edel, — onschuldig; maar altoos — vanwege zijn zelfgenoegzaamheid

— dwalend. Gij moet niet doen wat gij goedvindt, maar — of gij of een ander het vindt of niet vindt

— wat goed is.

„Ik moet handelen naar de inspraak van mijn geweten."

Geenszins, mijn consciëntieuze vriend, tenzij gij héél zeker zijt dat ge niet het geweten van een ezel hebt.

„Ik doe mijn best, — wat kan een mensch meer doen?"

Gij zoudt veel minder kunnen doen, en toch veel beter: — misschien doet ge uw best in het voortbrengen of het verrichten van een eeuwig slecht ding.

Sluiten