Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B, die hij eerlijk verkregen heeft,

C, en vaardig gebruiken kan.

Dat is het A B C van den Eigendom.

A. Het moet bestaan in goede dingen — geen slechte, en wordt daarom heel juist genoemd iemand's „Goederen".

Als gij een hoop vuil in uw riolen herbergt, of een hoop vlooien in uw bed, of een hoop nonsens in uw hersens — is dat geen „Eigendom", -maar het tegenovergestelde er van, daar de waarde van uw riolen, bed en hersenen er door verminderd wordt, niet vermeerderd.

Kunt gij dit tot zoover begrijpen, mijn practische vriend? *)

B. Het moet een goed ding zijn, dat eerlijk verkregen is. Niets van hetgeen gij door geweld gestolen of genomen hebt, noch iets dat uw vaderen stalen of namen, is uw eigendom. Niettemin is de liefderijke wet der Natuur aangaande alle dergelijk bezit altijd heel duidelijk geweest, namelijk, dat gij het moogt behouden — als ge kunt — met dien verstande slechts, dat gij deze en geen andere wet erkent als titel van bezit.

Kunt gij dit tot zoover ook begrijpen, mijn practische vriend?

C. Het moet niet alleen een goed ding zijn, en niet alleen iets dat ge eerlijk verkregen hebt, maar ook iets dat gij vaardig kunt gebruiken.

Want gelijk het oude spreekwoord „Gij kunt uw pudding niet eten en toch behouden" volkomen waar is in zijn strekking tegen den Woeker, — zoo is ook dit tegenovergestelde er van waar in zijn bevestiging van den eigendom — dat gij uw pud-

J) Ik onderstel, dat ik verder in dezen brief spreek tot een „negentiende-eeuwsch man van zaken".

Sluiten