Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEF LXXXI

BRANTWOOD, 13 Augustus 1877

E dertiende, — en nog geen woora van een van mijn vriendinnen ter verdediging van zichzelve! Zullen zij even stom worden als de professor in de economie?

Maar ik heb een verrukkelijk briefje van de jongedame, wier lof op mijn goedheid ik mij veroorloofde aan te halen aan 't eind van mijn brief voor Augustus, — verrukkelijk om verschillende redenen, maar voornamelijk omdat ze, als een goed meisje, gedaan heeft wat haar gevraagd was te doen, en mij verteld heeft welke „slechte dingen de menschen zeggen".

„Zij zeggen dat gij „dwaas" zijt, „onverdraaglijk eigenwijs" en „eigengerechtigd", dat gij schrijft over dingen waarvan gij geen verstand hebt (staathuishoudkunde) ; en twee of drie hebben positief beweerd en getracht mij te overtuigen, dat gij gek zijt — werkelijk gek!! Zij maken mij zoo boos, dat ik niet weet wat ik doen moet."

Het eerste wat gij doen moet, mijn lieve, zou ik zeggen, is uit te vinden waarom gij boos zijt. Gij zoudt dat niet zijn, als gij niet duidelijk inzaagt, dat al deze gezegden boosaardige gezegden waren en komen van menschen, die heel dankbaar zouden zijn als ik gek was, of als ze eenig ander excuus zouden kunnen vinden voor het niet

Sluiten