Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen van wat ik hun vraag, en wat zij besloten zijn niet te doen. Maar stel nu eens, dat gij, in plaats van u door hen te laten opwinden, hun kalm vraagt wat ik gezegd heb dat verkeerd is; en, als ze menschen zijn die eenige aanspraak maken op opvoeding, gij hen een artikel van mijn onderwijs, over een of ander onderwerp, in 't bijzonder laat aanwijzen dat zij verkeerd achten, en u de reden opgeven waarom zij het verkeerd achten. Als gij dan hun tegenwerpingen niet beantwoorden kunt, zend ze dan maar aan mij.

Gij zult evenwel niet vele van de tegenstanders in staat vinden — en het kan lang duren voor ge één vindt die gewillig is — iets van dien aard te doen. Want werkelijk, mijn beste, het is juist omdat ik niet eigengerechtigd ben, en omdat de boodschap, die ik gebracht heb, niet de mijne is, dat zij zoo kwaadaardig tegen mij zijn. „Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben." Neem den eersten brief van Johannes en lees van dat elfde vers tot het einde van het derde hoofdstuk : en verwonder u niet meer, en maak er u evenmin boos om, dat, „indien zij den heer des huizes Beëlzebub hebben geheeten, zij ook zijne huisgenooten zoo noemen".

Ik weet niet wat de Christenen in 't algemeen van dien eersten brief van Johannes maken. Voor zoover ik zie, lezen ze alleen van. het achtste vers van het eerste hoofdstuk tot het tweede vers van het tweede, en blijven overtuigd, dat ze hun heele leven lang mogen doen wat ze maar willen, en alles door Christus voor hen in 't reine is gebracht. En zelfs van het armzalig fragmentje, dat ze gelieven te lezen, missen ze altijd de eerste woorden van het tweede hoofdstuk: „Mijne kinderkens, deze dingen schrijf ik u opdat gij niet

Sluiten