Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Menkveld glimlachte even om dit merkwaardig staaltje van uitlegkunde, maar dadelijk daarop werd zijn gezicht weer ernstig.

Och, kon hij óók maar spreken over de groote daden Gods. Dijkhuis sprak er wèl over en, in wat hij zei, leefde hij, maar Menkveld voelde zijn hart koud. Hij kon niet spreken, zooals hij dat wel moest.

Hij zuchtte.

Waarom bleef maar steeds die bitterheid in zijn hart, die bitterheid, die scheiding maakte tusschen God en zijn ziel? En waarom kende hij niet meer, zooals vroeger, die verborgen omgang met den Heere? Als hij bad, vond hij den hemel van koper, en, ach, hij was ook zoo biddeloos.

„Nait woar, Menkveld?"

»Wat heb ie zegd, Diekhoes? 'k Heb 't nait goud heurd".

Sluiten