Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afmetingen der sluizen.

Het kanaal moet dus voor de grootste schepen, die thans en in de naaste toekomst den Rijn bevaren, ruim voldoende zijn.

Omtrent de afmetingen dezer schepen worden op blz. 126 van het rapport der Nederlandsch-Belgische Commissie omtrent de kanalisatie van de gemeenschappelijke Maas en op Blz. 4 van het verslag der Commissie van advies in zake verbetering van den scheepvaartweg van Amsterdam naar de Lek, eenige gegevens gepubliceerd, waaruit blijkt, dat als grootste schip bekend is de Karl Schroers No. 31, lang 123 M., breed 14.08 M. met een diepgang van 2.85 M. en een inhoud van 3581 ton; als een der volgenden in grootte wordt meer in 't bijzonder vermeld de Graaf de Smet de Nayer, later Matthias Becker geheeten, lang 112.50 M., breed 12.50 M., diepgang 3.07 M. en inhoud 3050 ton.

Weliswaar wordt in laatstgenoemd verslag opgemerkt, dat de Karl Schroers in het gebruik weinig schijnt te voldoen en dat het andere schip voor de Scheldevaart minder geschikt bleek en in het gebruik diverse beschadigingen heeft opgeloopen, — waaruit dan geconcludeerd wordt, dat met dergelijke schepen voor de vaart op Amsterdam geen rekening behoeft gehouden te worden, — doch daartegenover staat vooreerst, dat deskundigen op het gebied van de praktijk der Rijnvaart van oordeel zijn, dat het volstrekt niet uitgesloten moet worden geacht dergelijke schepen voor de vaart meer handelbaar te maken, terwijl anderzijds op het gebied van verbetering der rivier, voor de vaart met dergelijke schepen, zeker het laatste woord nog wel niet gesproken zal zijn.

De overweging, dat men voor een scheepvaartweg van zoo groote Europeesche beteekenis als die van Amsterdam naar den Rijn alle schrielheid van opvatting dient te vermijden, en dat men in een geval als dit beter doet, twee millioen te veel dan één millioen te weinig te besteden, heeft ertoe geleid den eisch te stellen, dat aan schepen van 123 M. lengte, 3 M. diepgang en 14 M. breedte een gemakkelijke vaart op het kanaal gewaarborgd moet zijn.

Diensvolgens werd aan het normale kanaalprofil een bodembreedte van 45 M. gegeven, een vaardiepte van 4.50 M. en taluds van 3 op 1.

Vooral voldoende diepte onder de kiel, meer nog dan een groote breedte, is een eerste eisch voor gemakkelijke bevaarbaarheid en waar uit proeven gebleken is, dat een maat van 1.20 M. hiervoor als minimum is aan te nemen, heeft men gemeend dit cijfer voor het Valleikanaal niet beneden 1.50 M. te kunnen vaststellen. v

Wil men aan de sleeptreinen gelegenheid geven elkaar overal gemakkelijk te kunnen passeeren, dan dient ook nabij de oevers van het kanaal een flinke diepte onder de kiel aanwezig te zijn. Daarom, en ook om practische redenen bij de uitvoering, is de bodem van het profil horizontaal ontworpen.

Voor de sluizen is het type gekozen waarbij de schutkolk en sluishoofden dezelfde breedte hebben, zooals ook voor de Maaskanalisatie is geschied. Deze vorm waarborgt een snelle wijze van schutten. De wijdte is bepaald op 16 M. en de diepte op den slagdorpel op 3.85 M. De lengte is zoodanig bepaald, dat een sleep van drie van de grootste schepen met sleepboot gemakkelijk tegelijk geschut zullen kunnen worden. Door tusschendeuren wordt het mogelijk gemaakt de schutkolk ook bij gedeelten te gebruiken.

Voor het geval de sluis onklaar raakt is daarnaast een tweede van kortere lengte ontworpen, die eventueel later, als de behoefte daaraan blijkt, op dezelfde lengte als de andere sluis gebracht zal kunnen worden, in welk

Sluiten