Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dam langs de vaargeul.

Daaruit blijkt, dat de waterstand van 1.40 M. + N. A. P. slechts hoogst zelden wordt overschreden, terwijl het water eveneens zeer zelden beneden het peil van 0.80 — N. A. P. daalt.

Na de afsluiting zal men een peil van 0,40 M. — N. A. P. als.normaal peil handhaven en een stand van 0,80 M. — N. A. P. wel niet meer voorkomen.

De hoogste stormvloeden zullen alsdan bij Spakenburg niet hooger dan tot 0,70 M. + N. A. P., en te Durgerdam tot 0,87 M. + N. A. P. oploopen (zie blz. 28 vlg. van dezerzijdsche nota van Maart 1917) terwijl bij langdurig waterbezwaar de stand te Muiden niet hooger dan 0,36 M. + N. A. P. zal zijn.

Na het totstand komen der inpoldering zou het water te Durgerdam of Muiden niet hooger dan tot X),53 M. + N. A. P. komen, terwijl de Staatscommissie van 1892 becijfert, dat zelfs hij een doorbraak van den boven Rijndijk en van den Lijmerschen dijk, de rijzing van het IJselmeer gemiddeld tot slechts 1 M. + N. A. P. mogelijk zou zijn.

In aanmerking nemend dat de invloed van den afsluitdam der Zuiderzee zich ook tijdens de uitvoering al zal doen gevoelen en dat het tijdstip waarop het kanaal voltooid kan zijn slechts enkele jaren zal kunnen voorafgaan aan dat van voltooiing van dien dam wordt in verband met al deze cijfers voor bovenkant kruin van den dam langs de vaargeul het peil van 1,40 M. + N. A. P. aangenomen, wat ook overeenstemt met het peil van de kruin van den bestaanden leidam langs het vaarwater beoosten de Oranjesluizen.

Zoolang de Zuiderzee niet is afgesloten zal dan de dam een enkele maal — gemiddeld nog geen drie dagen per jaar — beneden het zeepeil kunnen geraken, daarna niet meer.

Eenig ongerief voor de scheepvaart gedurende die enkele dagen in enkele jaren kan daarvan het gevolg zijn, doch ook op de rivieren is de scheepvaart wel eens gestremd en in elk geval verdwijnt het bezwaar zoodra de afsluitdam van de Zuiderzee voltooid is. f$Wè

Het spreekt vanzelf dat de dam, de uitwatering van de Vecht of die van Amstelland door de Diemerdammer- en Ipenslotersluizen niet zal mogen schaden, evenmin als de gelegenheid tot waterverversching der Amsterdamsche grachten door den siphon bij Zeeburg en dat dus het niveau van de zee bezuiden den dam niet noemenswaard hooger of lager zal mogen zijn dan dat daar benoorden.

In den dam moeten dus op geschikte punten openingen worden aangebracht waarvan de oostelijke, door uitgebrachte dammen beschermd, ook voor de scheepvaart op Muiden moet dienen.

Uit de peilschaalwaarnemingen te Schellingwoude blijkt, dat soms betrekkelijk snelle rijzing en daling van den waterspiegel wordt waargenomen. Dit geschiedt dan blijkbaar in den regel onder abnormale omstandigheden, waarbij meestal een voorafgaande sterke en geleidelijke afwaaiing van den waterspiegel plotseling, ten gevolge van het draaien of in intensiteit verminderen van den wind, door het terugloopen van het water en een snelle stijging wordt gevolgd, die — buitengewone stormvloeden uitgezonderd — als maximum op 0,40 M. per uur is te stellen. De trechtervorm van den toegang tot Amsterdam is dan oorzaak, dat in 't bijzonder te Schellingwoude de schommelingen van den waterstand het sterkst zijn.

Dit laatste teekent zich ook af in de verschillen tusschen M. V. en M. E. die

Sluiten