Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijze tm aanleg.

Geaardheid v het terrein

Ondervinding opgedaan bij < werken van h

Merw.-Kanaa te Amsterdan

te Schellingwoude 0,52 M. en te Muiden slechts 0,34 M. bedragen. Men zal dus gemiddeld op een maximum rijzing van 0,25 M. per uur kunnen rekenen.

Voor de plas van ongeveer 1240 H.A. waarop de Vecht en Amstelland loozen, maakt dit een hoeveelheid van 3,100,000 M'. die ongestoord door openingen in den dam per uur moet kunnen af- en toevloeien, zijnde dus gemiddeld 870 Ms. per sec.

Bij L. W. staat aan den mond van de doorlaatopening van de Vecht 2,50 M. water zoodat daar een instroomings oppervlak aanwezig is van 350 X 2,50 ss 875 M2.

Voegt men hier nog 500 X 1 = 500 M2. aan toe, die desgewenscht over meerdere kleine openingen kan worden verdeeld, dan is totaal bij L. W. 1375 Ms. beschikbaar, zoodat in een dergelijk buitengewoon geval slechts een instroomingssnelheid ontstaat van 0,65 M. per secunde, die geen noemenswaard plaatselijk verval kan doen ontstaan.

Ook voor de scheepvaart kan dit in deze zeldzaam voorkomende gevallen weinig bezwaar opleveren, vermits de snelheid van het instroomende water onmiddellijk binnendams aanmerkelijk afneemt en dus geen hinderlijke dwarsstroom te vreezen is.

Omtrent de uitvoering van dit in zee aan te leggen kanaalgedeelte kan nog het volgende worden opgemerkt, waarbij een korte beschrijving der geaardheid van de door het kanaal doorsneden terreinen vooraf dient te gaan. an Deze dragen toch een geheel verschillend karakter al naar gelang men oost- of westwaarts van Muiden komt.

De diluviale zandheuvels, die de waterscheiding vormen tusschen het gebied van de Eem en dat van de Vecht en die zich van den Neder-Rijn af, bij de Grebbe, in noordwestelijke richting uitstrekken tot bij Huizen en Naarden, vormen bij Muiden een uitlooperin de Zuiderzee: het Muiderzand ofMuiderhard.

Westwaarts daarvan, duikt het diluvium vrij diep weg en is daar bedekt door alluviale afzettingen en veenvormingen. Daar vindt men dus de slappere grondlagen, die in het algemeen dikker worden naarmate men dichter bij Amsterdam komt.

Beoosten Muiden en in de Geldersche Vallei blijven de zandafzettingen aan, of dicht bij de oppervlakte. Tusschen Muiden en Huizen vindt men in zee slechts een dunne afdekking daarvan met zeeklei, zoo ook langs de oevers van de Eem, terwijl ook verderop, in de richting van het kanaal, langs de beken, het zand aan de oppervlakte slechts door dunne afzettingen van klei of van veenachtige geaardheid is bedekt. Ook in de kom van Veenendaal tot aan den Neder-Rijn treft men nog dunne veenvormingen — bij Wageningen weder rivierklei — boven het zand aan.

De in 1866 door de Ned. Mij. voor grondcrediet verrichte boringen in de Zuidelijke kom van de Zuiderzee, alsook die door de hoofdingenieurs van Idsinga en van Rijn in 1887 verricht in de Geldersche Vallei, bevestigen den hier beschreven algemeenen bodemtoestand.

Zooals reeds gezegd vindt men tusschen Amsterdam en het Muiderzand

Ie

5t minder draagkrachtigen bodem. Bij den aanleg van de werken ten behoeve l van het Merwedekanaal kwam dit inzonderheid aan het licht. Voor ver'• schillende onderdeden van die werken te Amsterdam, zooals het verleggen van den afsluitdijk van Schellingwoude, den bouw van den syphon voor de waterverversching van Amsterdam en den bouw van de groote schutsluizen

Sluiten