Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de cijfers omtrent de was van den Rijn blijkt, dat hier toevallige storingen in het spel waren, waarvan de oorzaak gezocht moet worden in tijdelijke belemmeringen tengevolge van den destijds voorgekomen ijsgang op de rivier.

Denken we ons nu, dat de sluis in het kanaal, bij een stand als die van 9 Februari, wordt geopend, dan zal bij dien stand elke c.M. daling van de Waal met een vermindering in afvoer van 5,3 Ms gelijk staan en elke c.M. rijzing van de Rijn met een vermeerdering van 2 Ms. Bijgevolg zal de Waal 16 c.M. dalen en de Rijn 40 c.M. stijgen.

De afvoer van het kanaal zal ongeveer 80 M3 per sec. bedragen en de snelheid daarin dus ongeveer 20 c.M. zijn, zoodat er in het kanaal, stellende dat dit overal slechts 45 M. bodembreedte zou hebben, een te verwaarloozen verhang van slechts 3 m.M. per K.M. zal ontstaan.

In de sluis, zooals die thans is ontworpen, zal in dit uitzonderingsgeval een snelheid van ongeveer 0.40 M. kunnen voorkomen.

Men kan van oordeel zijn, dat zulks te veel is, doch in dat geval bestaat gelegenheid aan dit bezwaar zooveel men wenscht tegemoet te komen, door het onderste gedeelte van de met grond aangevulde ruimte tusschen de beide schutkolken zoover noodig te verbreeden en als afsluitbare doorstroomingsopening in te richten.

Intusschen geeft het geen overwegend bezwaar de sluis bij deze allergrootste verschillen in de rivierstanden, gesloten te houden, schakelt men alle verschillen boven 0.40 M. uit, dan had dit in 1904 slechts op acht dagen behoeven te geschieden.

Een herhaalde berekening voor standen waarbij een verschil|van ongeveer 40 c.M. voorkomt, leert dat alsdan de kanaalafvoer 60 M3 bedraagt en de snelheid in kanaal en sluis resp. 0.16 en 0.32 M.

Bij inrichting van de ontworpen sluis op de wijze als boven aangegeven, zal men deze laatste snelheid op 0.20 M. kunnen verminderen en zal deze door vergrooting van den afstand tusschen de beide schutkolken desgewenscht nog meer verminderd kunnen worden.

Bij het andere hiervoor reeds beschreven uiterste geval stond de Rijn 24 c.M. hoĆ³ger dan de Waal en zou dus eerstgenoemde rivier bij het openlaten van de sluis met ongeveer 17 c.M. gedaald zijn, waarbij in de rivier toch nog altijd meer dan de voor N. L. W. bepaalde diepte van 2 M. zou zijn overgebleven. De rivier was met ijs bezet, dus toch al moeilijk bevaarbaar en zou dus vermoedelijk de bewuste daling wel geen beteekenend nadeel hebben aangericht.

Gesteld echter, dat men elke aftapping van den Rijn zou willen voorkomen, dan zou om die reden de sluis in 1904 slechts 9 dagen gesloten behoeven te zijn, wat niet als een overwegend bezwaar is aan te merken.

In 't algemeen kan dus wel gezegd worden, dat de sluis in de Betuwe gedurende de periode, dat de Rijnvaart ervan gebruik moet maken geopend zal kunnen blijven.

De hoeveelheden, die van de Waal worden afgetapt, blijven in verhouding tot het rivierdebiet gering, alleen bij de hoogere standen worden ze eenigszins van belang. Bij het reeds besproken geval van 9 Februari 1904 bedroeg het debiet 1580 M3 tegen 80 Ms aftapping. Bij een verval van 0.40 M. waren deze getallen 1500 en 60. Dit zijn echter uitzonderingsgevallen, zoodat in het algemeen het regime van de rivier geen merkbare verandering zal ondergaan.

Sluiten