Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heide-Maatschappij wees er op, dat in het vervolg in het algemeen de eisch gesteld zal moeten worden, dat het maaiveld tenminste 1.25 M. boven het gemiddelde peil der afwateringskanalen zal moeten liggen. Aan 1 dezen, bij de tegenwoordige belanghebbenden nog geenszins populairen eisch, wordt nu bij een peil 'van -f 5.10 M. wel voor het overgroote deel der Exonereerende landen voldaan, doch niet voor de laagste gedeelten daarvan. Ook voor deze echter zal in de toekomst, naarmate het belang van een lager peil wordt ingezien, die eisch door onkostbare partieele bemaling zijn te verwezenlijken. Het kanaal opent daartoe juist de mogelijkheid, die onder de bestaande verhoudingen practisch niet bestaat.

De lage landen toch vormen thans een waterberging, in tijden dat de afvoer bij den Rooden Haan is gestremd. Die waterberging zou thans door partieele inpoldering worden verkleind en mitsdien den toestand van de buiten den polder blijvende landen ongunstiger makén.

Dit zou alleen te voorkomen zijn, door ook de resteerende waterberging en mitsdien, bij voortgaande inpoldering, per slot van rekening dit gedeelte der Vallei geheel te bemalen; want ook al het water van de hoogere landen, die op die waterberging loozen, zou dan opgemalen moeten worden. Het overgroote deel van al dit water zou men naar den Rijn moeten oppompen en bij de hooge daarop voorkomende standen zou de bemaling dus zeer kostbaar zijn.

Zoodra het kanaal evenwel is tot stand gekomen, dat de functie van waterberging overneemt, en dat al het ddarop gebrachte water zonder bezwaar altijd naar de Eem kan afvoeren, wordt die partieele bemaling practisch wel mogelijk. De landen toch, die buiten de inpoldering blijven, kunnen dan direct op het kanaal loozen en worden door de inpoldering niet bemoeilijkt en de polders zelf hebben slechts tot zeer geringe hoogte op te pompen naar het kanaal.

Uit een en ander blijkt voldoende, dat het kanaal onmiddellijk den thans door belanghebbenden gewenschten afwateringstoestand zal brengen en tevens, dat het voor elk belanghebbende de mogelijkheid schept om de eischen der afwatering door een weinig kostbare bemaling zoo hoog op te voeren als hem eventueel gewenscht zal voorkomen.

Dit zal niet alleen de meest geleidelijke, maar ook de meest economische weg zijn, want er valt financieel wel niet aan te denken eenig kanaal met zoo laag peil aan te leggen, dat ook voor de laagst gelegen terreinen de waterspiegel nog 1.25 M. beneden het maaiveld zou komen te liggen.

Worden dus, door aan de Exonereerende landen een afwatering op het kanaal te geven, de beide strijdende partijen voorgoed van elkaar gescheiden en aan genoemde landen een afdoend goede wijze van waterlossing verzekerd, ook voor de andere partij, die aldus reeds van dit bovenwater wordt ontlast, is van het kanaal nog een tweede groot voordeel te trekken.

Het kanaal kan n.1. op het punt waar het de Luntersche Beek kruist, zonder bezwaar ook het water van die beek in zich opnemen en aldus de benedenloop opnieuw van een afwateringsgebied van 7055 H.A. ontlasten. (Zie plaat 1.) Alle terreinen van dit laatste gebied liggen meer dan 1.25 M. boven het kanaalpeil, zoodat dus het kanaal de gelegenheid biedt hier desgewenscht de afwatering al dadelijk aan de hoogste eischen te laten voldoen.

Buitendien wordt door het kanaal nog een gebied van 525 H.A. van de Luntersche Beek afgesneden, dat niet meer direct op het bovenkanaalpand

Sluiten