Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den indruk bij een daaraan gebracht bezoek verkregen, tijdens de perioden van hoogen waterstand van Januari 1918 en 1919.

De drie aangegeven variaties van het opkwellen van water uit de onderliggende grint-zandlagen, zijn dan ook voor het gedeelte van de Betuwe beoosten het ontworpen kanaal zeker niet als de meest op den voorgrond tredende kwelbezwaren te beschouwen. Vooreerst toch kan het water voor het grootste gedeelte van dit gebied niet boven het terrein stijgen en waar dit bij hooge standen mogelijk zou zijn is over het algemeen de afdekkende bovenlaag voldoende waterdicht om dit te beletten, terwijl de enkele zwakke plekken daarin geen overwegende toevoer van water kunnen veroorzaken.

Het hoofdbezwaar is veeleer te beschouwen als een gevolg van de reeds vermelde komvormige afzetting der lagen, waardoor de onderliggende grinten zandlagen, juist nabij de rivieren, soms zeer hoog oploopen en aldus bij de randen van de kom onder de dijken ondichte gedeelten vormen, die het aldaar nog onder sterken invloed van de rivierstanden verkeerende grondwater een gemakkelijken toegang naar binnen verschaffen.

Min of meer moet dit verschijnsel zich wel haast overal langs de dijken voordoen en op vele plaatsen doet die kwel zich vrij sterk gevoelen.

Een voorbeeld daarvan vindt men b. v. bij den Waaldijk op 5V3 K.M. boven peilschaal Dodewaard. De aldaar binnendijks verrichte boring no. 49 is op de teekening schematisch aangegeven. De diluviale grintlaag loopt daar onder den dijk tot ongeveer 5 M. -f N. A. P. op en staat in onmiddellijke gemeenschap met de dicht in de nabijheid zijnde rivier. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat het water door de minste ondichtheid in de afdekkende kleilaag gemakkelijk naar boven kan komen en op verschillende plaatsen ziet men dan ook bij hooge rivierstanden het water binnendijks opkwellen.

Dat hier doorbraken zijn gevallen en kolken voorkomen behoeft geen verwondering te wekken. Die kolken zijn door aan den bandijk aansluitende kwelkaden omgeven, die een zekere tegendruk teweeg brengen. Het overloopen van die kaden toont evenwel aan, dat hierdoor het euvel wel beperkt, doch niet geheel weggenomen wordt.

Op verschillende plaatsen langs de dijken op de topografische kaart aangegeven vindt men op sterk kwellende gedeelten dergelijke kwelkaden aangelegd. Niettemin zal ook op vele andere plaatsen het water min of meer onder de dijken doorkwellen en in de nabijheid, zij het overal in geringe hoeveelheid, aan den dag komen. Veel kleintjes maken hier evenwel betrekkelijk een groote en m.i. kan deze soort van kwel als de voornaamste producent van het tenslotte in de Linge terechtkomende kwelwater worden beschouwd.

Ook hiervan echter moet men zich geen overdreven voorstelling vormen. De maximum afvoer van de Linge op het punt van kruising met het kanaal volgens het ontwerp van 1878, die dus zóówel het kwel- als het oppervlaktewater insluit, werd destijds, naar waarnemingen van den ingenieur van der Sleijden, op 20 M3. per sec. aangenomen, dat is ongeveer 1 M3 per sec. per 1000 H. A. afwaterend terrein.

Bij de beoordeeling van het ontwerp tot bemaling van de Over-Betuwe door een gemaal te Lakemond werd, volgens mededeeling van den Hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat, een maximumafvoer van 0.8 Ms. per sec. per 1000 H.A. aangenomen, welke hoeveelheid de Linge aldaar evenwel niet zonder verruiming zou kunnen afvoeren. In vergelijking met

Sluiten