Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevende aan een daartoe strekkend verzoek der Commissie, op zich een ontwerp van centrale drankregeling samen te stellen.

In December 1919 vertrok dit lid — via Amerika met

verlof naar Europa terwijl, zooals reeds vermelding vond in § 1, hem werd opgedragen tijdens zijn verblijf in de Vereenigde Staten zich op de hoogte te stellen van den stand van het alcohol vraagstuk daar te lande. 10 Juli 1920 verliet de heer Van Walsem Amerika.

Ook al zoude door dezen gang van zaken de beëindiging harer werkzaamheden worden vertraagd, meende de Commissie er geen bezwaar tegen te móeten maken, dat de ontwerping van evenbedoelde drankrégeling aan den heer Van Walsem, ook gedurende zijn verblijf in Nederland, bleef toevertrouwd. Het voordeel, dat een lid der Commissie in de gelegenheid werd gesteld zich door eigen aanschouwing op de hoogte te stellen van de toepassing en uitwerking van het in de Vereenigde Staten bestaand absoluut alcohol-verbod, waardoor hij zijn denkbeelden ter zake aan de praktijk vermocht te toetsen, stelde, naar het voorkwam, het te duchten verlies aan tijd in de schaduw. Bovendien achtte de Commissie den heer Van Walsem voor het samenstellen van meerbedoeld ontwerp, uit hoofde van zijn werkkring h.t.1., het meest competente lid. -

In de maand September 1920 vertrok het lid der Commissie, de heer Bervoets, eveneens naar Nderland. Dr. Bervoets verklaarde zich bereid zoo noodig aldaar Mr. Van Walsem bij te staan in den door dezen ten behoeve van de Commissie te verrichten arbeid, in verband waarmede bij de Eegeering, evenmin als bij de Commissie, bezwaar bestond, dat de heer Bervoes lid der Commissie bleef.

Tot haar groot leedwezen bereikten de Commissie tot op heden nog niet de resultaten van 's heeren Van Walsem's arbeid. Uit de berichten, welke zij dienaangaande uit Nederland ontving kreeg zij den indruk, dat de heeren Van Walsem en Bervoets met eenige, op het gebied van alcoholbestrijding gezaghebbende personen over het ontwerp van drankregeling in beraad zijn.

Waar de Commissie echter de zekerheid mist, dat de uitkomsten van de bemoeiingen van beide genoemde heeren eerlang in haar bezit zullen zijn, meent zij geen vrijheid te hebben de Regeering langer met hare eindbeschouwingen en conclusien in onbekendheid te laten. Het van den heer Van Walsem nog te verwachten ontwerp van drankregeling zal later, naar het der Commissie voorkomt, aan den inhoud van dit verslag getoetst kunnen worden.

§ 5. Houding van de Overheid in het algemeen tegenover het alcoholvraagstuk.

OVERZICHT DER BESTAANDE WETGEVING.

De houding van de overheid tegenover het alcoholvraagstuk is in de onderscheidene landen steeds zeer uiteenloopend geweest. In het algemeen kan men zeggen, dat geen enkele staat thans in deze materie het laisser-faire-stelsel nog huldigt. De economische wet van vraag en aanbod in deze vrijspel te laten is onjuist gebleken, omdat de neiging tot drankmisbruik aangroeit naar mate de gelegenheid tot bevrediging van dén dranklust gemakkelijker en goedkooper wordt.

In alle staten is daarom de wenschelijkheid ingezien oni den verkoop van alcoholhoudende dranken aan beperkingen te onderwerpen. Ook voor deze gewesten geldt die wenschelijkheid, al moge het waar zijn, dat in de godsdienstige wetten der Islam voor het geloovige deel der Moham-

Sluiten