Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 6. Houding van de Overheid h.t.1. tegenover het alcohol vraagstuk.

medaansche bevolking, wat het gebruik dezer dranken betreft, reeds een rem gelegen is.

In het midden der vorige eeuw bestond naast een reglement op de logementen, koffiehuizen, tapperijen, enz. op Java en Madoera (Staatsblad 1853 No. 28) en ter Sumatra's Westkust (Staatsblad 1861 No. 52) alsmede politie- en strafbepalingen, slechts een regeling betreffende de verpachting van het recht tot den verkoop van sterke dranken in het klein, een middel waarvan de goede werking uit het oogpunt van drankbestrijding twijfelachtig moet worden genoemd. Reeds in 1873 werd deze pacht op Java en Madoera door accijnsheffing vervangen, terwijl zij in de buitengewesten in 1890 op een nieuwen voet werd geregeld (Staatsblad No. 85), waarbij meer aandacht dan vroeger werd geschonken aan de wenschelijkheid van drankbestrijding (vgl. het Koloniaal verslag van 1890, blz. 167/9).

Vooral in het Oostelijk deel van den Archipel bleek aan die bestrijding behoefte te bestaan. Nadat in het Nederlandsen gedeelte van Nieuw-Guinea in 1888 (Staatsblad No. 67) een verbod van invoer van sterke dranken, behoudens voor geneeskundig gebruik, alsmede ten behoeve van eigen-gebruik voor Europeanen en Vreemde Oosterlingen was uitgevaardigd, werd dit verbod in 1899 uitgebreid tot de Sangi-, Talaud- en Natoena-eilanden der residentie Menado (Staatsblad No. 167) en tot de af deeling Aroe-, Kei-, Tanimbar- en zuidwester-eilanden der toenmalige residentie Amboina (Staatsblad No. 189). Ingevolge de thans geldende bepalingen van Staatsblad 1912 No. 187 is het met in achtneming van voormeld voorbehoud verboden in die streken in te voeren, dan wel voor geld, voor goederen of om niet af te staan: 1. alcoholische dranken onder welken naam ook; 2. brandspiritus en dergelijke producten van alcoholdistillatie. In die richting werd, na de inlijving van het Oostelijk deel van den Archipel bij het tolgebied, voortgegaan door afschaffing van de drankenpacht, heffing van invoerrecht van Java-arak en beperkende bepalingen betreffende invoer, vervoer en verkoop van alcoholische dranken. Volledig werd zulks voor het eerst geregeld voor de residentie Menado [Staatsblad 1908 No. 218, 219 jo. 1912 No. 340 (»)]. Deze regeling werd voor de andere gewesten in het Oosten van den archipel nagevolgd. Inmiddels was in 1907 de wenschelijkheid gebleken om

van Regeeringswege een onderzoek in të stellen naar den omvang van het drankgebruik in geheel Indië en c. q. nopens de middelen tot bestrijding daarvan. Het resultaat van dit onderzoek was vrij bevredigend. (Zie de uitvoerige mededeeling op blz. 249 en 250 van het Koloniaal verslag van 1913). Voorshands werd de toestand niet van dien aard geacht, dat de centrale overheid gedeeltelijk behoorde terug te treden op de bij de ordonnantie in Staatsblad 1909 No. 241 genomen beslissing, waarbij, met buiten werkingstelling van het eerder genoemd reglement op de koffiehuizen en tapperijen, de regeling van den verkoop van sterken drank grootendeels aan de locale raden werd overgelaten.

De regeling van 1909 leidde (Staatsblad 1910 No. 432) voorts tot herziening van de op den verkoop van sterken drank betrekking hebbende strafbepaling in No. 12 van artikel 4 van het Europeesch (2 Inlandsen) politie-straf-

(') Deze ordonnantie werd inmiddels vervangen door een opgenomen in St. 1917 no. 646, welke dezelfde strekking heeft.

Sluiten