Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie kent U, die U niet bemint?

Uw liefde kwam op aarde;

'k Zie, hoe zij U aan 't vloekhout bindt,

En door Uw dood den dood verslindt,

Op dat zij mij bewaarde.

Mij, Jezus ! mij ? — ai! zend Uw Geest,

Dat liefdepand, van boven,

Die 't schaadlijk ongeloof geneest;

Zoo minne ik U! — Zij minnen 't meest,

Die U het meest gelooven.

Of, is 't Uw zondaarsliefde niet, Die mijne min doet gloeyen; Wanneer 't geloof de wonden ziet, Waar uit Uw liefde stroomen giet, Om naar mijn hart te vloeyen?

En als ik U, de liefde, min; 'k Ben 't eens dan met Uw Vader: Zijn welbehagen rust hier in; Zoo neemt het Juichen een begin: De hemel komt mij nader.

DE ZALIGE DOOD DER JONGE KINDEREN DER GELOOVIGEN.

Geloovige ouders moeten Zoo treurig niet begroeten Het sterfuur van hun kroost! 't Is waar; van 's Vaders zegen Een pandje hier verkregen, Verstrekt een kind tot troost.

Maar dacht ge: 't is het mijne, Gij faaldet; 't was het Zijne: Het was aan Hem gewijd. Hij heeft het, pas geboren, Het zaligst lot beschoren, En kroonde 't voor den strijd.

Sluiten