Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar 't zieltje, heen gevaren Naar 't koor der hemelscharen, Legde al zijn luiheid af; Daar 't in den vroegen morgen Vóór 't rijzen van de zorgen Zich aan zijn Schepper gaf.

Dat zieltje krijgt nu oogen, De ontwikkling van 't vermogen, Dat hier omwonden was: Geen vleesch kan dit beletten; Geen zonde dat besmetten Wijl Jezus het genas.

Het leert zijn Schepper kennen; Zich aan dien Vader wennen; Zijn liefdewet verstaan; Het ziet, hoe Adams schulden Zijn rekening vervulden, Maar reeds zijn afgedaan.

Het voegt zich bij die zielen, Die voor haar Heiland knielen; En roemt het kinderlot. Zou 't met de hemellingen Geen halleluja's zingen? Ja, kinders loven God.

Mijn kindje steeg naar boven, Om eeuwig Hem te loven. Om eeuwig ... O! ik buk! Moest ik een schepsel telen, Om ;t eeuwig te zien deelen In eindeloos geluk ?

O God! welke eer geschiedt me ? Geen moeite of angst verdriet me. In deze rampwoestijn: Mijn kind mag in 't verblijden, Maar ik moet in het strijden Eene eer van Christus zijn.

Sluiten