Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik leef gerust op 's Vaders woord, Niets is er, dat mijn vreugde stoort,

Noch de avond, noch de morgen

Ontrusten mij met zorgen. Mijne eenige bekommernis Is, daar mijn hart vol boosheid is,

Hoe dat ik met mijn leven

Mijn Goël eer zal geven. Maar ik geloof, dat Hij Zijn werk, Al woelt mijn vijand nog zoo sterk,

In spijt van die mij haten,

Niet onvoltooid zal laten. Daar in is onze veiligheid, Dat, nooit, hoe zeer hij netten spreidt,

De zwakste zelfs van allen

In zijnen klauw zal vallen. Die God bezit, bezit het al; Schoon alles ons begeven zal;

Uw hoogste goed, o Vromen!

Wordt nimmer u ontnomen. Wie is er niet met God te vreên? Wie slaat zijn oog nog elders heen? I

O stervling! staak uw zwoegen!

Hier vindt gij 't vergenoegen. Die God verkiest, krijgt grooten loon: Hij was een slaaf, hij wordt een zoon

En zal eens, na zijn sterven,

Door Jezus alles erven. Al ben ik arm, al is mijn huis Een kleine stulp, een slechte kluis;

Ik ben in deze woning

Veel blij der dan een koning. Een weinig schapen is mijn deel, Maar 'k heb, hoe weinig, echter veel:

'k Heb alles, om mijn leden

Te voeden en te kleeden. De vogeltjes, die Godes lof Verbreiden in mijns*'buurmans hof,

Zijn, met mijns buurmans dieven,

Mij tot vermaak gegeven. Dat koren is wel 't mijne niet; Maar als mijn oog het maayen ziet,

Verblijd ik me in den zegen

Alphen, Gedichten. 2

Sluiten