Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEZUS MENSCHENLIEFDE.

Waar was ooit min zoo teeder? Mijn Heiland daalde neder,

En boog voor "s Vaders roê: In al Zijn smart geduldig, Verdroeg Hij, schoon onschuldig,

Leed, hoon, en arremoê.

Verkoos Hij voor den hemel Dit zondige gewemel

Vol jammer en verdriet; Hij was met mij bewogen . . . ! Wat deed Zijn mededoogen

Voor arme zondaars niet!

Hij liet in 't vleesch zich kleeden, En heeft in kinderleden

Reeds voor de schuld geboet. Hij liet zich vangen, binden, Kocht vijanden tot vrinden,

Door :t storten van Zijn bloed.

Tuig, vreeslijks te aller nachten, Van de allerbangste klachten!

Tuig dit, bebloede hof! Tuig, vreeslijkste aller dagen, Van de allerfelste slagen,

Waar mee Gods zwaard Hem trof.

Al klonk Hem in Zijne ooren, Bij 't voelen van Gods tooren,

Het grimmen van de hel; Hij viel geen moorder tegen, Begroette dien met zegen,

Koos dien tot reisgezel.

Dat heet zijn vijand minnen, Den duivel overwinnen;

Zóó wordt Gods huis gebouwd. Wie, wie, kan Jezus haten, Wie langer God verlaten.

Die de armen open houdt?

Sluiten