Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elize zweeg, ik mede; Wij stonden opgetogen, Geheel gevoel, aanbidding, Verrukking, liefde en bhjdsehap. Wij melden, onbewogen, De handen in elkander. Dan zagen wij ten hemel Waar God zijn luister toonde; ijan weder naar beneden; En t kloppend hart gevoelde Een reinen hemelwellust, Daar wij den God der aarde Verheven zagen wandlen In deze zachte stilte. £ Geloof aan zijne liefde, Zijn vaderlijke zorgen, Zijn wijsheid en genade Schoot lieve en zachte stralen In onzen boezem neder. Geen avond was er schooner Of blijder voor ons beide.

O eerbiedwekkende avond ! Wij zullen aan u denken, Zoo^ dikwijls wij in 't donker Bij t stille maanlicht wandlen; En u, welriekend boschje' Voortaan ons Bethel noemen

DE RUPS.

Gelijk de rups haar graf bereidt En zich ter rust begeeft, Tot zij, met vleugels uitgedost Langs veld en bosschen zweeft* Zoo is mijne aardsche bezirheid Terwijl mij 't graf verbeidt,' re leeren, hoe men sterven moet Ie zien op de eeuwigheid.

Sluiten