Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen koele dauw of regen op haar valt; Zij staat verflenst, met rondgebogen steel, Zoekt zij vergeefs op aarde lafenis. Maar, God is goed! een zwangre wolk verschijnt, En drapplend vocht deelt nieuwe sappen uit; Elk blaadje drinkt: het aardrijk zuigt dien schat Met wellust in, en sluit haar open schoot; Dan heft de bloem verfrischt het hoofd omhoog, En juicht in 't rond haar metgezellen toe. O Jezus (zegt mijn hart) ik ben die bloem!

n.

De volgende rijmelooze regels, mijne moeder betreffende, vond ik onlangs onder papieren, welke verscheurd zouden worden: en ik leg ze op dezen dag, in dit dagboek, tot mijne herinnering.

* *

Van jongs af hebt ge, o Jezus! mij bemind,

Geleid, verzorgd, beveiligd en verschoond.

Van 's moeders buik op U geworpen, roem

Ik 't edel hart, waar 'k sluimrend onder school,

Eer mij het licht des blijden dags omscheen.

Dat hart, al vroeg bezorgd voor mijn geluk,

Verhief zich toen alreeds, voor, om hoog

En als ik, pasgeboren, aan haar borst

Gedrenkt werd of gekoesterd in haar schoot,

Den zachten slaap gerust in de armen viel,

Dan schoot haar stille ziel gebeden uit;

En lisplend sprak de mond, terwijl een traan

In 't minzaam oog, de tolk was van haar hart:

„O Kindervriend! dit eerst geschenk van U

„Zij U gewijd! versmaad uw dienstmaagd niet.

Hoe dikwijls heeft ze mij uw kindermin,

In 't bijbelblad, of op een prent, vertoond;

En 't rijpend brein met schat op schat verrijkt,

Toen k vaderloos aan hare voeten zat.

Nu ligt ze in 't graf; zij stierf in mijne arm!

Ik sloot hare oogen toe; ik was gerust.

En dacht: Geen nood, zij hoort mijn Jezus toe;

Zacht zij uw rust! haast zien we elkander weer.

Sluiten