Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit bet: „Antwoord op den Brief van den Hoogwelgeb. Heer De Perponcher, aan mij geschreven ter gelegenheid der uitgave van het eerste deel van Riedels Theorie der Schoone Kunsten en Wetenschappen" (1783).

A. OVER HET LICHAMELIJK SCHOON. (Theorie II bi. XVII).

Wat dan voor eerst het ligchamelijk schoon aangaat, daarom trend, dunkt mij, is eenvoudig de zaak deze. Als ik een denkbeeld make van Mgchaamlijke schoonheid, dan vooronderstel ik een gewaarwordend wezen, dat juist zo gesteld, gevormd, of georganizeerd is, (noem het zo als ge wilt) dat het zekere eigenschappen, welke in het schoone voorwerp zijn, op zulk eene wijze kan gewaarworden, waardoor zij deze uitwerking op hetzelve hebben, dat het voor dat wezen schoon is. Op een wezen, dat anders georganizeerd was, zouden diezelfde eigenschappen, of in het geheel geene, of eene andere werking doen. Het eerste heeft mogelijk plaats met opzigt tot de dieren, en het laatste mogelijk met opzigt tot de Engelen: maar geen wezen daar zijnde dat zo gesteld was als de mensch, zoude het onderwerp wel in zig zelf hetzelfde blijven, maar voor geen wezen schoon zijn. De Venus van Medicis zou dan wel in zeker opzicht de Venus van Medicis bhjven, maar de eigenschappen, die dezelve voor den mensch, tot een schoon voorwerp maken, zouden op een anders gevormd wezen mogelijk eene tegenstrijdige werking doen. Even zo met het brood; de voedende kragt van het brood is een eigenschap, die hetzelve heeft, met betrekking tot onze dierlijke gesteldheid; en niet in het afgetrokken, want voor planten, voor sommige dieren of insecten heeft het die kragt met; en als er geen anderen, dan zulke wezens, op onze aarde waren, zoude men niet kunnen zeggen, dat er in het brood eene voedende kragt was; maar het tegendeel: ofschoon brood, brood; dat is, gemalen, gekneed en gebakken koorn bhjven zou. Waarlijk, Mijn Heer! het geen wij eigenschappen der dingen noemen, staat somtijds in zulk een

6 *

Sluiten