Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poëzy houdt; daar Virgilius, als digter, en Dusch onder anderen als kunstrigter, met voorbeeld en leer aangetoond hebben, dat het Leerdigt waarlijk poëzy is. Dat hij geen woord van het Treurdigt en Hekeïdigt spreekt, en dat hij de Ode met geweld tot zijn grondbeginsel sleept. Dat hij, zonder zo gehandeld te hebben, nimmer aan zijn grondbeginsel eenigen trap van waarschijnlijkheid had kunnen geven.

Zie daar een schets, Mijn Heer, van het voornaamste dat tegen Batteux, vooral met opzigt tot de poëzy, is aangevoerd. Dit alles te ontwikkelen en met bewijzen te staven; de kunstige uitvlugten, die Batteux hier en daar zoude kunnen maken, en somtijds dadelijk gemaakt heeft, aantetoonen; en te beletten dat men er gebruik van maakt; dit zoude eene geheele verhandeling vereischen. Maar, Mijn Heer! gij hebt mij verzogt Batteux met aandagt nog eens natelezen; ik verzoek u, op mijn beurt, dat gij den vertaalden Batteux van Schlegel, in 't bijzonder het hoofdstuk over het lierdigt, en zijne verhandeling over het grondbeginsel der Poëzy aandagt ig doorleest; en dan, zo ik mij niet bedrieg, zult gij overtuigd zijn van het gebrekkige in het principe van Batteux, als een hoofdbeginsel van alle schoone kunsten beschouwd; want ik kan mij niet begrijpen, dat de voorstanders van dit grondbeginsel zelf niet merken, in hoe veel bogten zij zig wringen moeten, om op sommige bedenkingen, die men tegen hen inbrengt, het een of ander antwoord te vinden. Ik geloof, dat U.E.D. zelf daar van een voorbeeld zal op leveren. Gij zegt: Niemand heeft ooit willen beweeren, dat men, de nabootsing der natuur tot een grondbeginsel der kunsten stellende, daar door alle eigen vinding (het woord vinding schijnt hier niet zeer gepast, omdat vinding zeker ook betrekkelijk is tot het uitvinden van zulke voorstellingen, of combinaties van voorstellingen, waar in de natuur onmiddelijk nagebootst wordt) alle eigen aandoeningen buiten sloot. Dat men het niet heeft willen beweeren, geloof ik zeer wel; maar of men het daarom niet beweerd heeft, is een andere vraag. Mij dunkt, het is een natuurlijk gevolg uit het, zo hoog geroemde grondbeginsel, dat wel wederlegd dient te worden van Batteux voorstanders; maar dat egter zo gemaklijk niet te wederleggen valt. Een digter, die zijne eigen gewaarwordingen voorstelt, kan met geen mogelijkheid, als men niet hairkloven wil, gezegd worden een model te copieeren: Ik bid u, Mijn Heer, toen ik, vol aandoening, mijnen klaagzang over den dood mijner egtgenoote gemaakt heb; welk model heb ik toen nagebootst of op een

Sluiten