Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, is, dat men den laagsten trap van de digterlijke genie niet wei kan aanwijzen. Gelijk tog de harmonie van het proze en van de poëzij niet zo zeer in wezen, als wel in trap, verschillen, zo is het ook met de hoedanigheden van een digter, en van hem, die, mag ik mij zo eens uitdrukken, het naast aan den digter grenst. Als men Homerus eens boven aan stelde; en men daalde dan naar beneden langs eenen rei van digters, die in digterlijke waardigheid op elkander volgen, zou men eindelijk, zonder sprong, komen op den rijmer; even gelijk men van Newton tot den lompsten Hottentot zoude kunnen overgaan; en gelijk men van pikzwart tot sneeuwwit kan komen, door een groot aantal van tinten of middelkleuren (nuances). Maar nu in dezen rei nauwkeurig aantewijzen, waar de laatste digter staat, en waar de eigenlijke rijmer zijn plaats heeft, is bijna even moeilijk, als te zeggen, waar het zwart ophoudt, en waar het wit begint.

Laat mij nu zien, wat er in het onderzoek over 't aangeboren e in den digter al voorkomt dat overwogen moet worden. Vooraan staat de teergevoeligheid en de verbeeldingskragt. — Even daar agter staat de neiging om zig harmonisch door middel van de spraak uittedrukken, benevens het vermogen om dit te .kunnen doen. Dan ziet men nog in 't verschiet het oordeel, en de smaak. Niet alleen tog dat, wat een digter karakterizeert, en bijzondert, moet in aanmerking komen in een onderzoek van het aangeborene, maar alles, zonder het welk hij geen digter wezen kan, en het welk hij egter van de Natuur alleen ontvangen heeft. En het zal ons mooglijk na dit onderzoek gelukken, ook dat, het welk den Digter in onderscheiding van den Schilder, Beeldhouwer enz., aangeboren is, van het andere aftetrekken, en tot een afzonderlijk beeld te maken. Het aangeboren egter voor dit of dat soort, het onderzoek waarom la fontaine geene Opera's, boileau geen Odes kon maken, en quinault daarentegen voor de Opera's zo geboren scheen, als la fontaine voor de fabelen en vertellingen, en theocritus en gessner voor het Landgedicht, komen onder mijn bestek niet, daar ik alleen bij het algemeene digterlijke blijven wil.

Vooreerst derhalven over de teergevoeligheid of sensibiliteit. Deze bestaat zeker in die vatbaarheid, waar door men van andere menschen, in het ontvangen van aandoeningen

>

Sluiten