Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II. *)

Algemeene beschouwingen over het mond- en klauwzeer.

§ i. INLEIDING.

De Staatscommissie acht het gewenscht aan de behandeling van de in hare opdracht gestelde vragen vooraf te doen gaan eene algemeene bespreking van het mond- en klauwzeer.

Hoofdstuk II is aan dit onderwerp gewijd.

Het mond- en klauwzeer is eene met koorts gepaard gaande besmettelijke ziekte, die zich kenmerkt, doordat in den mond, aan de tong, aan de kronen der klauwen en dikwijls ook aan den uier, inzonderheid aan de spenen, blaren tot ontwikkeling komen, die in den regel resp. sterk speekselen, kreupelheid en pijnlijkheid bij het melken tengevolge hebben.

Tot.de dieren, die vatbaar zijn voor deze ziekte, moet in de eerste plaats het rund gerekend worden; daarna volgen het varken, het schaap en de geit.

In de literatuur wordt geleerd, dat hoewel zelden, het toch ook voorkomt, dat paarden, honden, katten, ja zelfs vogels worden aangetast, alsmede in het wild levende dieren, namelijk: rendieren, herten, reëen, gemzen, de kameel, lama, giraffe, antilope, zebra, yak, buffel en zelfs de olifant vatbaar zijn voor deze ziekte. Toch zou het op gezag van betrouwbare waarnemingen onjuist zijn het standpunt te verdedigen, dat in het wild levende dieren met betrekking tot het heerschend optreden van het mond- en klauwzeer onder de huisdieren van groote beteekenis zijn. Olt en Ströse zijn van meening, dat het optreden van mond- en klauwzeer onder vrijlevend wild, zelfs bij zeer sterke uitbreiding dezer ziekte onder de huisdieren zeer zeldzaam is en dat het wild bij de verspreiding dezer ziekte geen rol speelt. Wanneer men dus maatregelen beraamt ter beteugeling van het mond- en klauwzeer, dan moet men zijne aandacht concentreeren op de huisdieren, namelijk het rund, het varken, het schaap en de geit.

*) Dit hoofdstuk is op verzoek der Staatscommissie door het lid dier Commissie Prof. Dr. J. POELS geredigeerd.

Sluiten