Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook bij den mensch kan het mond- en klauwzeer voorkomen. Zooals wij later zullen zien, is de mensch als tusschendrager van de mond- en klauwzeersmetstof niet zelden de oorzaak van de verspreiding der ziekte, echter is zijne vatbaarheid voor de ziekte uit een epizoötisch oogpunt van geen beteekenis.

Het mond- en klauwzeer is eene sedert lang bekende ziekte. Volgens fröhner en ZwiCK verscheen reeds op den 17» Juni van het jaar 1682 van de kanselarij te Luzern een belangrijke publicatie over de behandeling en de besmettelijkheid van het mond- en klauwzeer. In 1764 heeft Sagar in Noorwegen eveneens op de besmettelijkheid de aandacht gevestigd. Nochtans bleef men tot omstreeks het midden der vorige eeuw de meening huldigen, dat de ziekte ontstond door atmospherische invloeden, ongunstige weersgesteldheid en door bedorven voedsel. Eerst in de 2» helft der vorige eeuw, inzonderheid tengevolge van den invloed van bollinger, is men algemeen tot de overtuiging gekomen, dat het mond- en klauwzeer door eene specifieke smetstof wordt veroorzaakt. Evenwel is het ook thans nog niet gelukt de oorzaak der ziekte zichtbaar te maken en kunstmatig te kweeken. Reeds hebben verschillende onderzoekers bacteriën en protozoën bij monden klauwzeer gevonden en niettegenstaande deze onderzoekers aanvankelijk van de meening uitgingen, dat de door hen opgespoorde plantaardige of dierlijke wezens de oorzaak der ziekte representeerden, weet men, dat hunne onderzoekingen met de werkelijke oorzaak der ziekte geen verband hebben gehouden.

Noch de onderzoekingen van Siegel, noch die van Schottelius, KüRTH, Behla en Staüffacher hebben eenig licht verspreid omtrent de oorzaak van het mond- en klauwzeer. Van veel grootere beteekenis zijn de onderzoekingen geweest van LöFFLER en frosch, die in 1897-1900 aantoonden, dat de smetstof van het mond- en klauwzeer filtreerbaar is en de gebruikelijke bacterie-filters passeert.

Niet mag worden verzuimd hierbij de aandacht er op te vestigen, .dat ook aan Hecker in 1899 deze eigenschap der smetstof is opgevallen.

Met LöFFLER en frosch begint de periode, waarin getracht werd het mond- en klauwzeer door seruminspuitingen en inentingen te bestrijden, echter ook aan de Rijksseruminrichting te Rotterdam werd reeds in 1908 in opdracht van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel Mr. J. D. veegens en m ,912 in opdracht van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel A. S. Talma, de werking van het serum van hoog geïmmuniseerde dieren bij mond- en klauwzeer bestudeerd, bij welke onderzoekingen de specifieke, vooral preventieve werking, van het mond- en klauwzeerserum werd vastgesteld, waardoor de onderzoekingen van LöFFLER en frosch volkomen bevestigd werden.

Ook NOCARD te Parijs heeft zich met dit onderwerp bezig gehouden.

In 1919 werd aan de Rijksseruminrichting de bereiding van serum tegen

Sluiten