Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

latere Ministerieele beschikkingen de Regelen 1899 voor een gedeelte buiten werking gesteld of gewijzigd hebben.

De regeling bedoeld sub 3". (art. 10 lid 2—art. 15) is tijdelijk vervallen voor Duitschland ingevolge beschikking van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, d.d. 7 Maart 191 r, voor België ingevolge beschikking van dien Minister d.d. 1 April 1911.

De regeling bedoeld sub. 4°. ten aanzien van den mest is in 1913 vervangen door een andere, te vinden in art. 6 van de reeds vermelde bes< hikking der Ministers van Landbonw, Nijverheid en Handel en Financiën, d.d. 15/19 September 1913 (Stcrt. Nr. 221 van 1913) aangevuld bij beschikking van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, d.d. 19 Mei 1915, Directie van den Landbouw, Nr. 13435.

Er zijn nog meerdere beschikkingen houdende wijziging of intrekking van bepalingen der Regelen 1899, doch aangezien deze door latere beschikkingen weder ongedaan zijn gemaakt, blijven zij ter voorkoming van verwarring onvermeld.

De toestand is dus thans deze, dat voor het tegenwoordige geldend zijn de artt. 1 —10 lid 1 der Regelen 1899 en art. 6 van bovengenoemde beschikking van 15 19 September 1913, aangevuld in 1915.

Achtereenvolgens moge thans de strekking dezer voorzieningen worden besproken:

i°. Invoer van vee ter beweiding of beakkering van grenslandetijen in Nederland.

Ingevolge art. 3 der Regelen 1899 zal door de Commissarissen der Koningin vergunning tot dezen invoer verleend worden, »indien in de gemeente van her»komst en in de daaraan grenzende buitenlandsche gemeenten binnen de laatste »120 dagen geene longziekte en binnen de laatste 21 dagen geen veepest, geen ♦ mond- en klauwzeer en geen schaapspokken zijn voorgekomen. Deze termijnen »moeten gerekend worden van het einde van het laatste geval door den dood of >het herstel der dieren gevolgd door ontsmetting der localiteiten, waarin de »dieren zich hebben bevonden«. Aan kooplieden in vee mag de vergunning blijkens art. 9 niet worden verleend.

De toepassing van art. 3 eischt dus de wetenschap:

i°. welke de gemeente van herkomst is,

2°. dat aldaar de voormelde besmettelijke ziekten sedert genoemde tijdstippen niet zijn voorgekomen.

Sub i°. is voorzien in art. 5 der Regelen 1899 : de vergunningaanvrager moet overleggen eene verklaring van den Burgemeester van de gemeente van herkomst, waaruit blijkt dat de dieren gedurende de laatste drie weken in zijne gemeente zijn gebleven.

Sluiten