Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I». in het zooeven sub a bedoeld. geval (art. 8a);

2». ten opzichte van dieren, waarbij zich kenteekenen van besmettelijke ziekten vertoonen (art. j), een en ander tenzij tusschen den invoer en het zich voordoen van een der beide aangeduide gevallen een langer termijn verstreken is dan voor de betrokken ziekte is aangegeven bij art. 3 van het Kon. besluit Van 10 Juli 1896 (S. 104), welke termijn voor mond- en klauwzeer 15 dagen is.

2°. Terugvoer van vee, dat ter beweiding of beakkering van grenslanderyen in België of Duitschland is uitgevoerd en invoer van dieren, gedurende het laatste jaar in die landen geboren uit evenbedoeld uitgevoerd vee.

Ingevolge art. 10 lid 1 der Regelen 1899 zal tot dezen terugvoer en invoer door den Commissaris der Koningin vergunning worden verleend onder de noodige, in overleg met den districtsveearts te bepalen voorzorgen tegen .overbrenging van besmetting*.

Ook hier worden kooplieden in vee wederom uitdrukkelijk van de vergunning verleening uitgezonderd.

30. Invoer van mest ter bemesting van grenslandergen.

De evenaangehaalde regeling van 1913 staat dezen invoer toe ten aanzien van mest van rundvee, schapen, bokken, geiten en varkens onder voorwaarde:

»1 °. dat bij den invoer worde getoond eene, door den betrokken districts»veearts voor .gezien* geteekende, vergunning van den Burgemeester der betrokken .Nederlandsche gemeente, welke vergunning

na. slechts kan worden verstrekt, indien bij de aanvraag wordt overgelegd .eene binnen de laatste 8 dagen afgegeven, schriftelijke verklaring van den .burgemeester der grensgemeente, waar de mest zich bevindt, inhoudende, dat in .zijne gemeente binnen de laatste 6 weken geene longziekte, geene veepest, geen .mond- en klauwzeer en geene schaapspokken zijn voorgekomen (welke termijn .gerekend moet worden van het einde van het laatste geval door het sterven, de .afmaking of het herstel der dieren, gevolgd door ontsmetting der localiteitén» .waarin de dieren zich hebben bevonden) en bovendien, dat de mest uit zijne .gemeente afkomstig is, of, indien de mest van elders is aangevoerd, dat zij .gedurende ten minste 6 weken in zijne gemeente heeft gelegen;

*b. gedurende zes maanden na de afgifte geldig is;

*c. van rechtswege vervalt, zoodra zich in de gemeente, waar de in te .voeren mest zich bevindt, een geval van longziekte, veepest, mond- en klauwzeer »of schaapspokken voordoet;

.2°. dat de mest bij bemesting van bouwland onmiddellijk ondergeploegd

Sluiten