Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eén lid der Staatscommissie, Prof. J. J. Wester, acht in beginsel het afmaken van zieke en verdachte dieren de meest aanbevelenswaardige methode om het mond- en klauwzeer te bestrijden, doch om hiermede succes te kunnen verkrijgen is het z.i. noodzakelijk, dat de veehouders en veehandelaren niet alleen met goeden wil, maar ook met kennis van zaken medewerken, vooral ook in dien zin, dat zij dadelijk bij de allereerste verdachte verschijnselen aangifte doen en het zieke en verdachte vee zelf dadelijk streng isoleeren.

Het is bij de laatste poging om door afmaken deze ziekte te keeren z.i. echter afdoend gebleken, dat kwalijk begrepen eigenbelang, winstbejag, gebrek aan gemeenschapszin en ook gebrek aan inzicht omtrent bestrijding van besmettelijke veeziekten in het algemeen en omtrent bestrijding van het mond- en klauwzeer in het bijzonder, sommige veehouders en veehandelaren nog in die mate beheerschen, dat er niet op mag worden gerekend, dat van die zijde overal en steeds voldoende medewerking is te verwachten. Strenge straffen kunnen hier z.i. niet in voorzien.

Voornoemd lid vreest dus dat de eerstvolgende poging om door afmaken het mond- en klauwzeer te bestrijden, weder zal uitloopen op eene ontzaglijke geldverspilling zonder eenig nut, doordat men vroeg of laat het afmaken weder zal moeten staken, tenzij toevallig spontaan optredende verzwakking van de smetstof sterk medewerkt. Z.i. moet dèrhalve vooralsnog worden ontraden het afmaken als algemeen bestrijdingssysteem te aanvaarden en toe te passen, ,,zoolang er", zooals de meerderheid der Staatscommissie het uitdrukt, „redelijke kans bestaat ,,de ziekte te bedwingen". Onder de tegenwoordige omstandigheden is die kans immers, naar zijne meening, al zeer spoedig verdwenen of bestaat zij niet en bovendien zal niemand met zekerheid kunnen bepalen, wanneer die redelijke kans eventueel nog bestaat of reeds heeft opgehouden te bestaan.

Voornoemd lid acht het daarom onder de tegenwoordige omstandigheden slechts toelaatbaar, dat afmaken wordt toegepast bij de allereerste gevallen en in streken, alwaar de mentaliteit der betrokkenen op medewerking is gericht.

Voor de toekomst acht hij het van groote beteekenis, dat veehouders en veehandelaren door voordrachten en cursussen worden opgevoed tot den strijd tegen veeziekten in het algemeen en tegen het mond- en klauwzeer als meest besmettelijke veeziekte in het bijzonder.

Wanneer dan te eeniger tijd op de medewerking der direct belanghebbenden kan worden vertrouwd, acht voornoemd lid den tijd gekomen om systematisch door afmaken het mond- en klauwzeer te bestrijden. Dan zal het z.i. blijken, dat inderdaad het afmaken het beste bestrijdingssysteem is, maar ook eerst dan.

Bij dit betoog sluit het Lid der Staatscommissie Prof. Dr. L. DE BLIECK zich grootendeels aan. Doch uitgaande van het op blz. 46 en 47 door eene minderheid

Sluiten