Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1896 S. 104 den termijn voor het vrijlaten van den invoer van vee op door isolatie getroffen stallen op 15 dagen na afloop van de ontsmetting stelt.

Voor het uitvoeren van vee uit dergelijke stallen is niet met zooveel woorden een termijn vastgesteld. Intusschen is vee, hetwelk zich in een besmette verblijfplaats bevindt, volgens art. 22 der Veewet 1870 «verdacht van besmetting* en mag dan niet vervoerd worden (art. 20 dier wet). Volgens art. 103 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104 blijft dit vee verdacht gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het vee naar het oordeel van den districtsveearts het laatst in de gelegenheid is geweest om besmet te worden. De districtsveearts zal eene verklaring betreffende den dag, waarop die termijn begint te loopen, wel niet afgeven, dan nadat de ontsmetting heeft plaats gehad. Uitvoer van vee uit eene verblijfplaats, die besmet is geweest, zal dus niet mogelijk zijn, voordat 15 dagen na de ontsmetting zijn verstreken.

De termijnen voor in- en uitvoer van vee naar en van door isolatie getroffen stallen zijn dus praktisch gesproken thans gelijk.

De Staatscommissie heeft ampel overwogen, of hierin wijziging ware te brengen, hetzij door bekorting van den termijn voor de minst gevaarlijke gevallen (als het b.v. stallen geldt, welke wegens afmaking of sterfte geheel ontruimd zijn), hetzij door verlenging van den termijn (b.v. speciaal voor uitvoer van vee), dan wel of eene onderscheiding ware te maken tusschen stallen en weiden. Hare conclusie is deze, dat in beginsel zoowel voor in- als voor uitvoer de termijn voor het vrijgeven is te handhaven op 15 dagen na de ontsmetting en dan voor alle gevallen, waarin gebouwen en terreinen geïsoleerd zijn. Bekorting moet ook voor speciale gevallen te gevaarlijk worden geacht en evenzeer oordeelt de Staatscommissie verlenging van den termijn bedenkelijk, nu men wetenschappelijk nog niet heeft kunnen vaststellen, hoelang een dier de smetstof der ziekte nog bij zich kan dragen.

Indien in bepaalde gevallen de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet deze termijn verlengd kunnen worden. Met 't oog daarop worde de mogelijkheid geopend, dat de districtsveearts met machtiging van den Minister in bijzondere gevallen den termijn kan verlengen.

In dit verband moet nog worden opgemerkt, dat art. 38 lid 1 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 (S. 104) geen rekening houdt met de mogelijkheid, dat het zich voordoen van ziektegevallen op een der in dat artikel genoemde plaatsen ook nog op andere wijze dan door herstel of door den dood kan ophouden, n.1. door het verwijderen van de zieke dieren van die plaats. Het is echter gewenscht, dat ook dan dezelfde termijn voor het vrijgeven geldt.

b. Nevenmaatregelen van bestrijding. De verplichting tot verwijdering en afzondering van vee, dat verschijnselen

Afzonderen van ziek en verdacht vee.

Sluiten