Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In beslagneming

en verbeurdverklaring.

Het verdient overigens naar de meening der Staatscommissie nog aanbeveling, dat"hij die tot aangifte gehouden is, bij de wet verplicht wordt aan de ambtenaren met de uitoefening van den veeartsenijkundigen dienst belast, naar waarheid alle inlichtingen te geven, welke hem door dezen ter zake van zijn bedrijf in verband met de bestrijding van het mond- en klauwzeer worden verzocht, zulks op straffe van geldboete of hechtenis, waarvan het maximum ook hoog ware te stellen.

Art. 35 lid 2 der veewet 1870 stelt verbeurdverklaring van roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, afhankelijk van inbeslagneming. De verbeurdverklaring moet echter in geval van veroordeeling, altijd op de inbeslagneming volgen.

De veewet 1920 (art. 91) wijzigt dit stelsel en wel door de imperatieve verbeurdverklaring te vervangen door de facultatieve, die zelfs kan worden beperkt tot een gedeelte der voorwerpen, waarmede de overtreding is gepleegd en kan worden uitgesproken onafhankelijk van de inbeslagneming, een en ander in overeenstemming met het stelsel van het Wetboek van Strafrecht. In afwijking van dat Wetboek is het geen vereischte, dat de voorwerpen den veroordeelde toebehooren.

Voorwerpen, waarin de overtreding is geschied, dus b.v. vervoermiddelen, zijn in tegenstelling tot de veewet 1870, niet meer voor verbeurdverklaring vatbaar, hetgeen in de memorie van toelichting wordt gemotiveerd met een beroep op de bij art. 32 lid 2 der wet geopende mogelijkheid van ontsmetting van openbare middelen van vervoer ten koste der ondernemers.

De Staatscommissie kan zich met het systeem der veewet 1920 ter zake van inbeslagneming en verbeurdverklaring vereenigen. De evenvermelde onttrekking aan verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarin de overtreding is gepleegd, is echter alleen dan geheel juist, indien overeenkomstig het door de Staatscommissie op. blz. 87 gedaan voorstel ook de niet-openbare middelen van vervoer aan verplichte ontsmetting worden onderworpen. Het is intusschen de vraag, of het juist is, dat de openbare middelen van vervoer in art. 86 lid 1 der veewet 1920 ook voor inbeslagneming onvatbaar worden verklaard. Het komt de Staatscommissie voor, dat daarmede een middel om de ontsmetting af te dwingen is prijsgegeven.

Ook de regeling der schadeloosstelling ingeval van vernietiging van inbeslaggenomen vee of andere voorwerpen (art. 93 veewet 1920) acht de Staatscommissie juist. Blijkens het bepaalde bij art. 93 lid 2 wordt aan den met name te noemen eigenaar van inbeslaggenomen vee of andere voorwerpen, welke krachtens art. 89 vernietigd zijn, bij het te wijzen strafvonnis eene schadeloosstelling tot het gewaar-

Sluiten