Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Staatscommissie heeft nu ook harerzijds in ampele overweging genomen, of er termen bestaan de veehouders in de kosten van de bestrijding te doen bijdragen. Zij is daarbij tot de conclusie gekomen dat in beginsel de Staat alle kosten voor zijne rekening moet nemen. Het geldt bij de bestrijding der ziekte, zooals door de Staatscommissie reeds eerder is betoogd, niet alleen een specifiek boerenbelang, doch bovenal een algemeen belang. (Men zie het betoog op blz. 42—45)- Alleen dan zoude het brengen van een deel der bestrijdingskosten ten laste van de veehouders zijn te aanvaarden, indien daarmede de bestrijding zelve, dus het algemeen belang gebaat zou worden. Deze verwachting mag echter naar het oordeel der Staatscommissie niet worden gekoesterd, integendeel is zij beducht, dat men bij een systeem als evenbedoeld sommigen tot heftiger verzet tegen de maatregelen, anderen tot het verlangen van een te groot aandeel in de leiding der bestrijding zal prikkelen. De Staatscommissie is er niet in geslaagd een billijk stelsel van financieele deelneming van de belanghebbenden aan de bestrijding te vinden, waarbij evengenoemde klippen worden ontzeild. In verband hiermede acht zij het vooralsnog gewenscht, dat in beginsel de Staat alle kosten voor zijne rekening neemt.

Eene minderheid (de Heeren Prof. Dr. L. de blieck, Prof. J. J. Wester en E. WesbOnk) is van meening, dat het algemeen belang met betrekking tot de bestrijding van het mond- en klauwzeer verre ten achter staat bij het belang van de veehouders en wenscht daarom de bestrijdingskosten voor het grootste gedeelte ten laste der veehouders te doen komen. Dat de veehouders daardoor meer medezeggenschap in de bestrijding zullen verlangen, acht zij volstrekt geen bezwaar, integendeel.

Onder de kosten der bestrijding behoort ook de schadeloosstelling, welke ingeval van afmaken aan den eigenaar is toe te kennen.

Hierbij moet allereerst worden opgemerkt, dat de veewet 1920 op de gronden in de Memorie van toelichting tot die wet nader aangegeven, de afmaking terecht los heeft gemaakt van de onteigeningsgedachte, waarmede de veewet 1870, sedert de grondwet van 1887 ten onrechte, de afmaking in verband brengt. De grondwet van 1848, waaronder de veewet 1870 tot stand kwam, kende blijkens art. 147 lid 3 ook in geval van besmetting uitsluitend onteigening, de grondwet van 1887 bracht de juiste onderscheiding tusschen onteigening in den zin van overgang van eigendom (art. 151) en vernietiging en onbruikbaarmaking van eigendom (art. 152).

Afmaken is een politiemaatregel, die zijn grondslag in art. 152 der grondwet vindt. Bij onteigening is schadeloosstelling van zelf sprekend en art. 151 kent het recht daarop ook onvoorwaardelijk toe, de vernietiging en onbruikbaarmaking van

De schadeloosstelling in geval van afmaken.

Sluiten