Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergoeding voor bedrijfsschade.

L. F. Duymaer van TwiST en Prof. Dr. H. Remmelts) is van oordeel, dat taxatie door één persoon, met behoud van hertaxatie, de voorkeur verdient.

Op grond van art. 44bis van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 S. 104 is het in de laatste jaren voorgekomen, dat aan veehouders, die tengevolge van de maatregelen schade meenden te hebben, eene vergoeding van die schade (zg. bedrijfsschade) werd uitbetaald.

De aandacht wordt er op gevestigd, dat voornoemd art. 44bis de uitkeering van bedrijfsschade alleen in bijzondere gevallen veroorlooft.

De Staatscommissie meent, dat er ook in de toekomst geen sprake van mag zijn bij de wet vergoeding van bedrijfsschade als beginsel op den voorgrond te stellen. Gewichtige bezwaren verzetten zich hiertegen.

Vooreerst is niet uit het oog te verliezen, dat de bron van de bedrijfsschade niet in de eerste plaats in de maatregelen, doch juist in de ziekte gelegen is. Daardoor faalt ook een beroep op de enkele wetten, als de Kringenwet (artt. 40 en 41 der wet van 21 December 1853 S. 128), de Inundatiewet (art. 6 der wet van 15 April 1896 S. 71) en de Scheurwet (artt. 6 en 7 der wet van 27 Juli 1918 S. 503), die ook vergoeding van schade, welke tengevolge van krachtens die wetten genomen maatregelen wordt geleden, in het vooruitzicht stellen. Immers daar is het ontstaan van de schade uitsluitend afhankelijk van het in toepassing brengen der wettelijke maatregelen, bij mond- en klauwzeer ontstaat onafhankelijk van het nemen van bestrijdingsmaatregelen, bedrijfsschade reeds door de ziekte alleen en kan de eventueele nadeelige invloed van de maatregelen uitsluitend in verhooging van toch niet te ontgane bedrijfsschade tot uiting komen.

Die schade zoo gering mogelijk te doen zijn, zal allereerst de taak van den veehouder zelf zijn. In het bijzonder zal hem dit als regel kunnen gelukken, voor zoover het betreft voorkoming van schade, die uit een verbod tot vervoer van melk zou kunnen voortvloeien. Verwerking van de melk tot boter en kaas zal immers bedoelde schade verhoeden. Stelt men echter vergoeding dier schade in het vooruitzicht, dan zal ongetwijfeld het gevaar groot zijn, dat de veehouder ter zake van schadevoorkoming nalatig wordt.

Voorts is te overwegen, dat tal van veehouders en zelfs andere personen door de maatregelen bedrijfsschade kunnen lijden, zonder dat aan vergoeding daarvan kan worden gedacht; men denke slechts, om van voor de hand liggende andere voorbeelden te zwijgen, aan de gevolgen van een marktverbod.

Verder zou een wettelijke bepaling, die als regel stelt vergoeding van bedrijfsschade, ongetwijfeld den weg openen voor tal van misbruiken, die het Rijk ernstige financieele nadeelen zouden kunnen berokkenen.

Ten slotte zal bedrijfsschade in de praktijk gecompenseerd kunnen worden

Sluiten