Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vrijgeven van de door isolatie getroffen plaatsen is te handhaven op 15 dagen na de ontsmetting, doch deze termijn, indien de omstandigheden daartoe in bepaalde gevallen aanleiding geven, verlengd moet kunnen worden. b. Nevenmaatregelen van bestrijding.

Afzonderen van ziek en verdacht vee: deze maatregel is in de veewet 1920 ten onrechte m afwijking van de veewet 1870 slechts facultatief, niet imperatief voorgeschreven.

Vervoerverbod {kringen): de Staatscommissie acht het noodig binnen de kringen:

a. marskramerij en bedelarij, ook niet-openbare, onvoorwaardelijk te verbieden;

b. bezoek van stallen, zoomede het betreden van erven of weiden door hen, die geen schriftelijke toestemming van den eigenaar of het betrokken gezag hebben, eveneens te verbieden;

c. aangifte van een ziektegeval automatisch te doen volgen door een verbod tot vervoer van de betrokken boerderij van melk, afgeroomde melk, karnemelk en wei.

Voorts ware de bij art. 15 der veewet 1870 aan de provinciale en gemeentebesturen voorbehouden bevoegdheid om onder inachtneming van de wettelijke regeling, zelfstandig verbodsbepalingen ter zake van vervoer in het leven te roepen, te handhaven; dit is bij de veewet 1920 niet geschied.

De regeling der veewet 1920 te dezen aanzien is juist.

Verbod van markten, tentoonstellingen, enz. n/r.^h„m n,nn ttiph />ti verdacht vee

3». De overheidsbemoeiing en de medewerking der belanghebbenden bij de bestrijding van het monden klauwzeer.

Plaatsen van waarschuwingsborden: misschien zoude ter vermijding van hooge uitgaven de plaatsing van borden door aanplakking van biljetten vervangen kunnen worden.

De leiding van de bestrijding moet bij de overheid berusten. De Staatscommissie acht daartoe de aanwezigheid van een centralen leider noodig, die rechtstreeks onder de bevelen van den Minister de leiding der bestrijding voert. Ter vervulling van dezen wensch is het onvermijdelijk, dat het geheele veeartsenijkundig staatstoezicht los van de Directie van den Landbouw wordt gemaakt, opdat het hoofd van het veeartsenijkundig staatstoezicht onder het onmiddellijk gezag van den verantwoordelijken Minister werkzaam zij.

De districtshoofden (thans de distnctsveeartsen) moeten ondergeschikt zijn aan het hoofd van den veeartsenijkundigen dienst; het beginsel van gecentraliseerde bestrijding eischt, dat dit hoofd (met inachtneming van de bevelen van den Minister) als centraal leider bij de bestrijding van het mond- en klauwzeer hun ter zake

Sluiten