Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijnde in hem op de oude haat, maar toen hij in de wanhoop-wijde oogen zag en kende, intuïtief, het hevig-smartelijke, toen brak het groote medelijden uit; achter z'n oogen brandden tranen. Op z'n knieën viel hij bij het katje neer.

„Poesie, hè, poesie!" En in eens gilde hij, als om hulp, langs het Zondag-stille grachtje: „Moedèr!"... keek niet op, wist niet eens, dat hij geroepen had.

„Poes, zoete poes, hoor ...!"

„Kom maar, hoor!"

In zijn willen was het stroeve niet meer. Er was 'n vlottende vreugde van volkomen overgave.

Hij was opgestaan, en dikstijf in z'n Zondagsche broek, bukte hij nu over het diertje heen, trachtte het toen op te beuren, tusschen z'n eene band en z'n vuist, waarin hij z'n Zondagscent klemde ...

Sluiten