Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 79.

De onder b en c in het vorige artikel bedoelde jaarwedde wordt, behoudens voor den directeur eener bijzondere kweekschool, tot de helft verminderd voor hen die minder dan 15 lesuren per week plegen te hebben aan scholen, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b en c.

Artikel 80.

1. De waarde in geld van het genot van vrij wonen of vrij inwonen wordt voor een bijzonderen leeraar of een bijzonderen onderwijzer als belooning in geld beschouwd en gesteld op 10 ten honderd van het bedrag der jaarwedde.

2. Vergoeding van belasting wordt als belooning in geld beschouwd.

Artikel 81.

1. Voor een bijzonderen leeraar wiens wedde niet uitsluitend bestaat uit een bedrag in geld, eventueel met het genot van vrij wonen of vrij inwonen, wordt de pensioensgrondslag vastgesteld op het bedrag der jaarwedde, die volgens het Bezoldigingsbesluit voor burgerlijke ambtenaren voor overeenkomstige krachten bij het openbaar onderwijs zou gelden.

2. Die jaarwedde wordt tot de helft verminderd, wanneer de leeraar, geen rector of directeur zijnde, minder dan 15 lesuren per week pleegt te hebben aan scholen, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a.

Artikel 82.

Voor een beambte, wiens wedde niet uitsluitend bestaat uit een bedrag in geld, eventueel met het genot van vrij wonen of vrij inwonen, wordt de pensioensgrondslag vastgesteld op het bedrag der jaarwedde, overeenkomstig een door Ons te bepalen schaal van het Bezoldigingsbesluit voor burgerlijke ambtenaren.

Artikel 83.

De Pensioenraad is bevoegd om, ingeval van twijfel aan de juistheid der opgaven, voor de vaststelling van den pensioensgrondslag verstrekt, ook voor andere dan de in de artikelen 78 of 81 bedoelde leeraren en onderwijzers den pensioensgrondslag op de in die artikelen bepaalde bedragen vast te stellen.

Artikel 84.

Bijzondere leeraren hebben na althans 7 volgens deze wet voor pensioen medetellende dienstjaren, mede recht op pensioen

— echter eerst bij het'bereiken van den leeftijd van 65 jaar of als zij ongeschikt zijn verklaard voor de vervulling van de betrekking van rector, directeur, leeraar of beambte — als:

a. de aanwijzing van het bijzonder gymnasium waaraan zij zijn verbonden, wordt ingetrokken;

b. dè bijzondere hoogere burgerschool, waaraan zij zijn verbonden, ophoudt te voldoen aan de eischen, gesteld bij artikel 45öis eerste lid, onder 2, 3, 4 en 5 der wet tot regeling van het middelbaar onderwijs;

c. zij overgaan naar een bijzondere hoogere burgerschool, waarvan op het tijdstip van den overgang niet vaststaat dat zij niet voldoet aan de onder b bedoelde eischen;

d. zij binnen een jaar na het verlies van de betrekking, in artikel 4, eerste lid, onder a omschreven, als rector of als directeur aan het hoofd komen te staan van een voor hun eigen rekening beheerd gymnasium of van een voor hun eigen rekening beheerde hoogere burgerschool als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a.

Artikel 85.

Bijzondere onderwijzers hebben, na althans 7 volgens deze wet voor pensioen medetellende dienstjaren, mede recht op pensioen

— echter eerst bij het bereiken van den leeftijd van 65 jaar of als zij ongeschikt zijn verklaard voor de vervulling van de betrekking van onderwijzer of beambte — als:

Sluiten