Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 134.

Voor de berekening- van bet pensioen voor ambtenaren die een pensioensgrondslag hebben of hadden, hooger dan hun wedde, geldt de.wedde als grondslag.

Artikel 135.

Voor ambtenaren die vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet ambtenaar zijn geweest zonder uitzicht op pensioen ten laste van den Staat of van het pensioenfonds voor de gemeenteambtenaren en, na minder dan drie jaren na dat tijdstip als ambtenaar te hebben gediend, worden gepensionneerd, gelden voor de toepassing van de artikelen 50 en 90 alk pensioensgrondslagen de door hen vóór dat tijdstip als ambtenaar genoten wedden in den zin van artikel 32.

Artikel 136.

Van de afloopende bijdragen voor eigen pensioen die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog niet ten volle zijn betaald, is slechts verschuldigd het gedeelte, berekend over het aan dat tijdstip voorafgaande deel van den termijn, binnen welken die bijdragen moesten worden voldaan. Het van dit gedeelte op dat tijdstip nog verschuldigde wordt ingehouden, verrekend of gestort op den voet waarop de inhouding, verrekening of storting van het reeds betaalde deel heeft plaats gehad.

Artikel 137.

1. Een oud-ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, verleend bij art. 10, vierde lid, a of b, der Weduwenwet voor de ambtenaren 1890, art. 12, eerste lid, o of 6 der Weduwenwet voor de onderwijzers 1905, of art. 3 der Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913, verliest de in die artikelen bedoelde pensioensaanspraak, wanneer hij na het tijdstip van het in werking treden van deze wet als ambtenaar wordt herplaatst.

2. Wordt hij herplaatst als ambtenaar op een wedde, lager dan het bedrag waarover hij laatstelijk vóór het ontslag uit zijn vroegere betrekking voor weduwen- en weezenpensioen heeft 'bijgedragen, dan behoudt hij dat bedrag als grondslag voor de berekening van het pensioen voor zijn na te laten betrekkingen, wanneer hij binnen drie maanden na den dag van ingang zijner herplaatsing het daartoe strekkend verzoek aan den Pensioenraad richt en zich bereid verklaart jaarlijks vóór de verjaring van den dag van ingang van het ontslag uit zijn vroegere betrekking aan het fonds te betalen een bijdrage van zes en een half ten honderd over het verschil tusschen laatstgemeld bedrag en de wedde in zijn nieuwe ambt. Verhooging van die wedde gaat gepaard met evenredige vermindering van de bijdrage.

Artikel 138.

Voor de berekening van het pensioen der weduwen en weezen van gepensionneerde ambtenaren, bedoeld in art. 9, onder a, die een pensioensgrondslag hebben of hadden, hooger dan hun laatste wedde, geldt die wedde als grondslag.

Artikel 139.

1. Door of voor ambtenaren, die de verklaring bedoeld in art. 26 der Weduwenwet voor de ambtenaren 1890, art. 6 der wet van 5 Juni 1905 (Staatsblad n°. 154), art. 23 der Weduwenwet voor de onderwijzers 1905, art. II der wet van 20 Juni 1913 (Staatsblad n°. 299), of art. 44 der Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 hebben afgelegd en dientengevolge geen uiteicht op pensioen hebben voor hun na te laten betrekkingen, moet alsnog binnen vier jaren na het tijdstip van het in werking treden van deze wet aan het fonds worden betaald het bedrag, dat in het geheel door of voor hen voor weduwen- en weezenpensioen zou zijn

Sluiten