Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afscheiding van die gevallen zal de medicus, adviseur van den Pensioenraad, de aangewezen man zijn. Natuurlijk behoort daarmede samen te gaan een bevoegdheid, ruimer dan thans, van het beslissend college, om specialisten voor het onderzoek aan te wijzen. In hoofdzaak geldt het daarbij de quaestie van de betaling, die voor specialistenhulp hooger dan in gewone gevallen, zal moeten zijn. Het wetsvoorstel heeft gemeend, zich op een ruim standpunt te mogen stellen en in het algemeen den Pensioenraad de vrijheid te mogen geven om specialisten aan te wijzen, in den regel te betalen door het fonds.

Hij die door ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor de verdere waarneming van zijn betrekking, zal recht op pensioen hebben. Mits één voorwaarde is vervuld, n.1. dat hij een zekeren tijd als ambtenaar hebbe gediend. Dit volgt uit den aard der zaak. Alleen voor hem, die althans eenigen, niet te korten, tijd het publiek gezag heeft gediend, heeft dat gezag een bepaalde verplichting. Maar bovendien is de eisch onvermijdelijk, met ,het oog op de mogelijkheid van misbruik, die anders onmiskenbaar is. Het zou al een zeer gemakkelijk middel zijn, om iemand, die niet meer werken kan, te hulp te komen, als men hem, hoe kort hij ook in dienst zou zijn geweest, een pensioen kon bezorgen. Dit klemt natuurlijk vooral, waar, gelijk in het hierbij aangeboden ontwerp, een invaliditeitspensioen van een zeker minimum wordt voorgesteld. Daar in het bijzonder is ■ een wachttijd van eenigen . duur onvermijdelijk. Het ontwerp heeft zulk een wachttijd dan ook behouden. Wel gevoelend dat het eischen van een wachttijd in bepaalde gevallen hard kan zijn, heeft het den duur nog zooveel mogelijk verkort, door hem te stellen op 7, in plaats van, gelijk thans, op 10 jaar. Wie vóór hij 7 jaar in pensioensgerechtigde betrekkingen diende, invalide wordt, krijgt dus geen pensioen. Wel blijft het in het algemeen mogelijk zich bij een particuliere instelling voor dat risico afzonderlijk te verzekeren. Overwogen is de vraag, of zulk een verzekering bij het pensioenfonds moest worden mogelijk gemaakt. De conclusie is echter geweest dat dit niet het geval behoort te zijn. Zulk een verzekering toch zou van geheel andere beginselen moeten uitgaan als die, welke overigens voor rekening van het fonds worden genomen. Zoo zou eene individueele geneeskundige keuring wel onvermijdelijk zijn, vóór men tot de verzekering werd toegelaten; er zou premie geheven moeten worden en die premie zou in de individueele gevallen moeten wisselen naar gelang van den leeftijd van den betrokkene, de te aanvaarden betrekking en dgl. Daaruit blijkt reeds dat men een geheel vreemde loot op den boom der pensionneering zou enten. En wel zondei bepaalde noodzaak. Immers de Staat doel wat hij redelijkerwijze kan, als hij een regeling heeft getroffen voor het meest voorkomende en het meest regeling eischende geval: dat de ambtenaar na een zeker aantal jaren dienst invalide wordt. Zij die zich bovendien willen wapenen tegen het risico van een vroeger optredende invaliditeit, moeten daarvoor, naar liet voorkomt, zelf hun maatregelen nemen — wat, zooals is gebleken, bij het particuliere verzekeringsbedrijf reeds thans mogelijk is.

Slechts in één geval wordt de eisch van 7 jaar dienst als voorwaarde voor een invaliditeitspensioen niet gesteld, n.1. als de invaliditeit is verkregen, gelijk het in den volksmond heet, „in en door" den dienst. M.a.w. als de dienst zelf aansprakelijk moet worden geacht voor het optreden van den toestand van ongeschiktheid voor de verdere uitoefening van zijne betrekking. In dat geval draagt het pensioen mede het karakter van eene vergoeding wegens een door de uitoefening van den dienst geleden schade. Het is duidelijk, dat in deze gevallen een wachttijd onbillijk en onnoodig zou zijn. Onbillijk, omdat de door de ambtsuitoefening geleden schade evenzeer behoort te worden vergoed, als die den ambtenaar treft nadat hij nog slechts kort in zijn functie is werkzaam geweest. Onnoodig, omdat het verwezenlijken van de voorwaarden voor het verkrijgen van pensioen niet staat in de macht van den ambtenaar, daar een van buiten komende oorzaak vereischte is. Op de onderdeelen

Sluiten