Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van deze bezwaren geeft flg. 3 een voorbeeld. Onvermeld liet de wet van 1846 of de 20-jarige diensttijd in het ambt a doorgebracht, a. in aanmerking moest komen bij de be¬

rekening van het pensioen uit het ambt b, dan wel bij de berekening van het I pensioen uit het ambt c.

Voorts genoot de ambtenaar tot het f tijdstip van zijn ontslag uit ö, twee

> 20 j. wedden van f1200,— en f1800,—

Idoch had hij een gecombineerden grondslag van f 2 400,— (bevestigd uit a) -\f1800,— totaal f4 200,—. Moest nu, bij de berekening van het pensioen uit b de pensioensgrondslag worden ge 0 splist in twee, aan de wedden even-

'1200 \ i redige deeJen, dan' wel het pensioen

(2400)1 ; ^ c' berekend worden naar den vollen (beI " T vestigden) grondslag van f 2 400 ? Ook

i8j. op deze vraag gaf de wet geen bepaald

j antwoord. De praktijk heeft laatstbe1800. I doelde oplossing aanvaard.

—' L g • Uit het gegeven voorbeeld moge

f ■ tevens blijken hoe groot het belang voor den ambtenaar was, naarmate de diensttijd berekening in den eenen dan ■ wel in den anderen zin werd uitgevoerd. Immers, werd de diensttijd in P- a gevoegd bij b dan bedroeg het penb. 28/60 X f 2 400 = f 1 120.—

en uit c. 12/60 X f 1 800 = 360,—

te zamen f 1480,—

deze bezwaren geeft flg. 3 een voorbeeld. Onvermeld

Werd daarentegen de diensttijd in a gereserveerd voor de berekening van het pensioen uit de hoogst bezoldigde betrekking (c) dan bedroeg het pensioen uit b (bij gebrek van 10-jarigen dienst in die betrekking) nihil en het pensioen uit c (naar den bij ontslag uit b behouden, gecombineerden pensioensgrondslag van f 2400 -f f 1800) 36/60 X 4200 = f2450.

Niet alleen is het zeer belangrijk verschil tusschen deze pensioensbedragen merkwaardig, maar uit het gestelde voorbeeld blijkt tevens, dat eene oplossing in dien zin, dat in ieder geval de pensioensberekening werd uitgevoerd op de wijze,, die geacht werd het meest te zijn in het belang van den betrokken ambtenaar, niet tot een bevredigend resultaat kon leiden. Op het tijdstip toch van het ontslag uit b zou het gezag, dat het pensioen toekende, hebben gestaan voor de vraag, of het voor den bedoelden ambtenaar voordeeliger was, hem, met ingang van dat tijdstip, in het genot te stellen van een "pensioen ten bedrage van f 1120 dan wel hem geen pensioen te verleenen en hem de kans te doen behouden, dat hem, bij eventueele pensionneering uit de betrekking c later een belangrijk hooger pensioen zou kunnen worden toegekend.

Uit-den aard der zaak konden hier slechts enkele der hoofdbezwaren, waartoe het stelsel der wet van 1846 aanleiding gaf, worden aangestipt. Eene gedetailleerde uitwerking van die bezwaren zou te ver voeren. De vraag kan evenwel worden gesteld, hoe het mogelijk is geweest, dat de Pensioenwet van 1846, welke ten opzichte van het stelsel van grondslag-formatie en pensioenberekening tot 1890 ongewijzigd is gebleven, niettegenstaande deze ernstige bezwaren gedurende een tijdperk van 44 jaren gehandhaafd is geworden.

Het antwoord op deze vraag luidt, dat destijds de gevallen, waarin door denzelfden ambtenaar tegelijkertijd twee of meer betrekkingen werden vervuld, tot de zeldzaamheden behoorden. Daarin kwam geen verandering toen in 1857 aanspraak op pensioen werd verleend aan de onderwijzers bij de openbare lagere scholen. De twee, ook toen nog weinig talrijke categorieën van pensioengerechtigden, vormden vrijwel afgesloten kringen. De ambtenaar vond in zijn ambt, de onderwijzer in

09,

Sluiten