Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de school zijne levenstaak. Overgang van de eene naar de andere categorie had slechts bij uitzondering plaats. Die toestand bleef tot in het laatste tiental jaren der vorige eeuw bestendigd, al werden toen reeds tengevolge van den gestadigen en belangrijken aanwas van de ambtenaren- en onderwijzers-korpsen, de gevallen waarbij zich verwikkelingen voordeden, talrijker. Eerst later o. a. bij de gelijkstelling van de docenten bij verschillende gemeentelijke onderwijsinstellingen met burgerlijke ambtenaren en de toekenning van aanspraak op pensioen aan de onderwijzers bij het bijzonder lager onderwijs en eindelijk na de invoering der Pensioenwetten voor de gemeente-ambtenaren en voor de „Bijzondere leeraren" 1913, hebben zich de gevallen, waarin twee en meer — een enkel maal zelfs tien — betrekkingen gelijktijdig worden vervuld en waarin achtereenvolgens door denzelfden ambtenaar, nu eens een grooter, dan weer een kleiner aantal ambten nevens elkander worden bekleed, dermate vermenigvuldigd, dat zij die, wat hunne vooruitzichten op pensioen aangaat, in dien toestand verkeeren, thans zeer talrijk zijn.

Houdt men daarbij in het oog, dat, mede tengevolge van evenbedoeld verschijnsel, de wedde van eenen ambtenaar gedurende zijne ambtelijke loopbaan niet slechts aan stijging doch ook aan daling onderhevig is en dat, veel minder dan vroeger, de ambtenaars-stand een afgesloten kringt vormt, zoodat ook het verschijnsel toeneemt, dat de ambtelijke met een particuliere betrekking wordt verwisseld en omgekeerd, dan behoeft het geen nader betoog, dat eene regeling, welke onder vigueur der pensioenwetten van 1846 en 1890 nog slechts bij uitzondering tot moeielijk oplosbare vraagpunten aanleiding gaf, gaandeweg is geworden tot een struikelblok voor eene billijke en uniforme wetstoepassing.

' Overigens waren de bezwaren aan het systeem der pensioenwet van 1846 verbonden reeds belangrijk genoeg, om, bij de samenstelling der wet van 1890, den wetgever te nopen tot het aanvaarden van een ander stelsel van pensioenberekening.

II.

Het stelsel der Burgerlijke Pensioenwet van 1890. (Wet van 9 Mei 1890 Staatsblad n°. 78.)

Na het zooevengestelde zal het duidelijk zijn, dat de pensioenwetgever in 1890 nog minder oog had voor de bezwaren, die uit de wijze van diensttijdberekening voortvloeiden, dan voor die, welke een gevolg waren van de combinatie der grondslagen. Immers, de gevallen, waarin de loopbaan van den ambtenaar eene zeer afwisselende en gecompliceerde was geweest, behoorden — zooals reeds werd opgemerkt — tot de zeldzaamheden. De praktijk had aan de wijze, waarop de diensttijdberekening geschiedde eene oplossing gegeven, die voor de weinig ingewikkelde gevallen in den regel bruikbaar was en die, door haar in een wetsvoorschrift te formuleeren, werd bestendigd. Dit moge hieronder nader worden uiteengezet.

De belangrijkste moeielijkheden deden zich voor bij de berekening der pensioenen naar gecombineerde grondslagen. Men dacht nu de in dit opzicht ondervonden moeielijkheden in de toekomst te zullen opheffen door het invoeren eener consequent doorgevoerde methode van splitsing der pensioensgrondslagen. In het vervolg zou derhalve een ambtenaar die meer dan ééne betrekking gelijktijdig vervulde, in zijn persoon evenveel verschillende ambtenaren vertegenwoordigen en aanspraak hebben op evenveel verschillende pensioenen, als hij ambten bekleedde. Het hiervoor sub I aangehaalde voorschrift van art. 15, derde lid, der wet van 1846 werd in 1890 gewijzigd als volgt (zie art. 11, derde lid der Burgerlijke Pensioenwet van 1890):

„Ten aanzien van ambtenaren die meer dan eene burgerlijke betrekking bekleeden, worden de vorenstaande bepalingen {aangaande de inhouding der bijdrage) op de aan elke betrekking verbonden wedde of belooning afzonderlijk toegepast.

Voorts bepaalde art. 13, achtste lid:

„Bekleedt een ambtenaar tegelijk meer dan ééne betrekking, dan wordt in de akten van aanstelling en bevordering of in het

Sluiten