Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koninklijk besluit, waarbij de wedde of belooning bepaald is, voor elke betrekking een afzonderlijke grondslag voor pensioen vermeld".

Art. 26, 3de lid, eindelijk, bevatte de formule, waardoor, naar men meende, de berekening van den diensttijd geen bezwaar meer zou opleveren.

Art. 26 bepaalde, dat, wanneer een ambtenaar, die gelijktijdig meer dan eene betrekking vervulde, uit eene daarvan ontslagen werd, de grondslagen en de diensten der nog bekleed wordende betrekkingen bij de regeling van het pensioen niet in aanmerking zouden komen. Bij latere aftreding uit de nog bekleed wordende betrekkingen, zou hem voor elke betrekking een afzonderlijk pensioen worden verleend. Vroeger in andere betrekkingen bewezen diensten zouden in het evenbedoeld geval, zoomede indien de belanghebbende uit al de door hun waargenomen betrekkingen tegelijkertijd werd ontstagen, in berekening komen bij de. regeling van het pensioen wegens die betrekking, waarin de hoogste pensioengrondslag bekomen was.

De ervaring heeft geleerd, dat ook aan dit stelsel belangrijke bezwaren verbonden waren en dat het tot onbillijkheden aanleiding gaf.

In de eerste plaats toch leidde het in menig geval tot verwaarloozing van voor pensioen geldige diensten en van de daarvoor door den ambtenaar gestorte bijdragen. Door twee voorbeelden moge dit worden duklejijk gemaakt. Zie flg. 4 en 5.

flg. 4. Bij de pensionneering uit b (de

a b betrekking a was zonder recht op

Ipensioen verlaten), verkreeg de betrokken ambtenaar een pensioen ten J bedrage van 3%0 X f 1200 — f 600. •v J-\ I De dienst in de gedurende 25 jaren

f , A„„ „„ . vervulde betrekking a, waarvoor hij

f 1000 )30 ï. - Knn , , , .. , ' , , ,

I ■' f 500 had bijgedragen, werd geheel

i verwaarloosd. "Wat zijne aanspraak I op pensioen aangaat stond hij dus 1200 gelijk met eenen collega, die alleen

J de betrekking b had vervuld. Voor p hetzelfde pensioen had evenwel de een f 1100 de ander f 600 bijgedragen.

Zou men nu geneigd zijn te zeggen, dat dit niet onbillijk is, wijl de betrokken ambtenaar, door ontslag te verzoeken uit a, vóór dat hij in die betrekking aanspraak op pensioen had verkregen, dit nadeel aan zich zelf te wijten had, dan zij daartegen -aangevoerd, dat het opofferen eener betrekking in den regel -niet geschiedt uit weelde of gemakzucht. Men offert eene nevenbetrekking op, omdat eene andere betere vooruitzichten biedt, omdat eene andere gelijktijdig bekleede hoogere eischen gaat stellen, wegens gezondheidsredenen, wegens familieomstandigheden. Zeer zeker belmoren de ambtenaren, die een voldoend persoonlijk vermogen bezitten, om eene betrekking, waarin | zij geen lust meer hebben, zonder meer te verlaten, tot de uitzonderingen. En dan rijst de vraag, of het met eene ruime opvatting van het pensioenrecht vereenigbaar is, wanneer de wet den ambtenaar belemmert in de vrije keuze zijner loopbaan, omdat zij hem plaatst voor het dilemma tusschen zijne vrijheid en het nadeel, dat hij in zijne pensioensvooruitzichten lijdt. Zooals men zal zien, komt het stelsel van het ontwerp in belangrijke mate aan dit bezwaar tegemoet. Trouwens, de in figuur 5 gestelde casuspositie toont, dat zich gevallen kunnen voordoen, waarin nig- 5> het stelsel der wet van 1890 aanleiding

a b gaf tot ongemotiveerde verwaarloozing

Ivan dienst en van betaalde bijdragen, 1000 1 1200 zonder dat den ambtenaar eenig ver25 • J wijt kon treffen. '

J Na 25-jarigen dienst in de betrek-

| kingen a en b, waarin de ambtenaar

c \ f 500 -f f 600 = f 1100 wegens

2 j. j 1500 pensioensbijdrage had betaald, ging

' | hij over in ééne betrekking c, waardoor

3 i 1800 Wel is waar aanvankelijk zijn inkom-

\ sten achteruit gingen, doch waarin

p hem voor de toekomst betere vooruit¬

zichten werden geboden. Na 5-jarigen

23

een f 1100 de ander f 600 bijgedragen.

Zou men nu geneigd zijn te zeggen, dat dit niet onbillijk is, wijl de betrokken ambtenaar, door ontslag te verzoeken uit a, vóór dat hij in die betrekking aanspraak op pensioen had verkregen, dit nadeel aan zich zelf te wijten had, dan zij daartegen -aangevoerd, dat het opofferen eener betrekking in den regel -niet geschiedt uit weelde of gemakzucht. Men offert eene nevenbetrekking op, omdat eene andere betere vooruitzichten biedt, omdat eene andere gelijktijdig bekleede hoogere eischen gaat stellen, wegens gezondheidsredenen, wegens familieomstandigheden. Zeer zeker behooren de ambtenaren, die een voldoend persoonlijk vermogen bezitten, om eene betrekking, waarin | zij geen lust meer hebben, zonder meer te verlaten, tot de uitzonderingen. En dan rijst de vraag, of het met eene ruime opvatting van het pensioenrecht vereenigbaar is, wanneer de wet den ambtenaar belemmert in de vrije keuze zijner loopbaan, omdat zij hem plaatst voor het dilemma tusschen zijne vrijheid en het nadeel, dat hij in zijne pensioensvooruitzichten lijdt. Zooals men zal zien, komt het stelsel van het ontwerp in belangrijke mate aan dit bezwaar tegemoet.

25

Sluiten