Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

800

900 (1300)

(1100)

a r, ontslagen uit de betrekkingen a, b en

flg. 9. & . - j ,

c, waarin zijn pensioensgrondslagen

a_ b c respectievelijk bedroegen f800 —f600,— en f500,—, tezamen f1900,—. Na zijn ontslag ging hij over in twee betrekkingen, d, en e, waaraan verbonden waren grondslagen van f 900,— en f 600,—, tezamen f 1500,—, derhalve f400,— minder, dan hij vroeger genot. De hoogste 300 600 500 dezer beide grondslagen (in d) werd nu

— , met dit verschil verhoogd en derhalve

-r gesteld op f 900 -f- f400 = f 1300.

900 600 Later aanvaardde deze ambtenaar de

(1300) betrekking ƒ, waaraan eene wedde van

ƒ f200.— was verbonden. Krachtens het

(1100) -r voorschrift van art. 24 laatste lid der

200 Burgerlijke Pensioenwet, werd nu de ver-1 J- hoogde grondstag van v f 1300 (in cZ) wederom verminderd met de wedde in betrekking ƒ en derhalve teruggebracht tot f 1100,—.

Ontegenzeggelijk was aan dit stelsel het voordeel verbonden, lat niet langer diensten en daarvoor betaalde bijdragen bij de berekening der pensioenen werden verwaarloosd.

Evenwel, aan het stelsel kleeft, daargelaten dat het aan de tiierboven reeds sub II behandelde bezwaren tegen de wijze a IQ van diensttijdberekening niet tegemoet

kwam, een ander bezwaar; en wel dit, dat " het leidde tot eene sterke opdrijving der 1 pensioenen. Dit bezwaar doet zich niet gevoelen, wanneer — gelijk in het in I figuur 10 behandelde geval —• de

I diensten in twee gelijktijdig vervulde

> 25j. ambten gedurende langen tijd, nevens ? 30j. I elkander werden bewezen. Dat de grondI slag van f 1000 in het ambt b verkre1200 I Sen wordt gevoegd bij dien van f 1200

1000 in o is niet irrationeel, omdat hij gedu<2Q0Q) rende een groot gedeelte zijner loopbaan

li- eene gezamenlijke wedde van f 2200

heeft genoten.

flg. 11. De schaduwzijde van het systeem

wordt evenwel duidelijk, bij beschouwing /' van de voorbeelden geschetst in flg. 11

Ien flg. 12. Uit flg. 11 blijkt, dat debetrekkingen a en b slechts gedurende 2 jaren gelijktijdig werden vervuld en , 1000 dat het pensioen van den ambtenaar,

in j J ^ 7

ofschoon hij gedurende 28 jaren van zyne

130-jarige ambtenaarsloopbaan slechts f 1000, later f 1200 heeft genoten, be1 2j. 1200 rekend wordt naar 3%0 X f 2200 = ) ' f 1100. Het zelfde doet zich voor in het (2200) geval van flg. 12, waarin slechts gedurende twee jaren eene nevenbetrekking [ go i werd bekleed.

[ Erkend zij, dat bij de beoordeeling

van het stelsel rekening moet worden gehouden met de omstandigheid, dat thans de burgerlijke ambtenaar in vier jaren zijne volle pensioensbijdrage betaalt. <|i Dat in het geval voorgesteld in flg. 12

na het ontslag uit betrekking a het pensioen wordt berekend naar eene pensioensgrondslag, waarin begrepen is het bedrag van f 1000, dat slechts twee jaren als wedde in betrekking b is genoten, treedt in een ander licht, wanneer men overweegt, dat belanghebbende in dien tweejarigen diensttijd reeds de helft van zijne volle contributie over dat bedrag heeft voldaan. Intusschen is, ook al laat men aan deze overweging recht wedervaren, de toekenning van pensioen ook over de zoo kort genoten wedde van f 1000 over het volle aantal dienstjaren niet voldoende gemotiveerd.

wederom verminderd met de wedde in betrekking ƒ en derhalve teruggebracht tot f 1100,—.

• Ontegenzeggelijk was aan dit stelsel het voordeel verbonden, dat niet langer diensten en daarvoor betaalde bijdragen bij de berekening der pensioenen werden verwaarloosd.

Evenwel, aan het stelsel kleeft, daargelaten dat het aan de hierboven reeds sub II behandelde bezwaren tegen de wijze

12 j.

Sluiten