Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

q 12 Het hierboven in flg. 7 reeds gestelde

' voorbeeld moge thans andermaal dienen,

,' voor zooveel noodig gewijzigd (flg. 13),

ten einde daarmede het verschil aan te toonen tusschen de werking van de 1200 stelsels der wetten van 1890 en van 1913.

Bij pensionneering uit de betrekking b. c bedraagt het pensioen thans — niet

']) . 2760 X f 900 = 375 —, doch 2S/60 X 30 j J 1000 ||2 J' f 2100 (f 900 -f- f 1200) = f 875. Boven1200 dien ontvangt de ambtenaar pensioen

(2200) u^ ae betrekking d. Hoe groot is dit

pensioen? Uit de betrekking b is de grondslag van f 1200 reeds gevoegd bij dien in c en daardoor als het ware verbruikt. Maar van den 15-jarigen diensttijd in eerstgenoemd ambt werden nog p. slechts vijf jaren met pensioen vergolden.

Bij den tweejarigen diensttijd in flg. 13. (zie ook flg. 7.) d belmoren dus nog tien jaren van b te worden gevoegd. Vermits flg. 13 ( = fig. 7) — gelijk zooeven werd gezegd — a de grondslag van f 1200 uit b

) reeds is verbruikt, zal het pen-

> 5 j. sioen uit de betrekking d berekend ) 0 moeten worden naar f 500 en der-

1200 halve bedragen 12/40 X f 600 —

> 5 j. f 100. De beide pensioenen te 600 \ zamen bedragen dus f 975 terwijl

i (1800) de berekening naar het stelsel der 5 j. | wet van 1890 eene totaalsom gaf

c ( van f 375 -|- f 240 = f 615. Het

900 ) 1200 belangrijk verschil tusschen de pen-

> 5 j. sioensbedragen vloeit dus voort uit ) het behoud van den pensioensgrond-

(2100) i slag van f 1200 uit het ambt b

> 5 j. door het overgaan van dien grond-, ) slag in de betrekking c.

p In het vorenstaande zijn, terwille

van de overzichtelijkheid, weinig ingewikkelde gevallen tot voorbeeld gekozen. Toch blijkt daaruit voldoende, dat de wijze van grondslag vorming — al kan tegen het doen behouden van een pensioensgrondslag, waarover de bijdrage reeds geheel of voor een groot deel is betaald, op zichzelf geen bezwaar bestaan — in verband met het stelsel van diensttijdberekening in de talrijke ingewikkelde gevallen tot weinig aannemelijke resultaten moet leiden en den pensioenlast te zeer verzwaart.

Ten einde aan de bovengenoemde bezwaren zooveel mogelijk tegemoet te komen, met behoud van de aan het ontwerp ten grondslag liggende juiste beginselen, dat het pensioenbedrag rekening houdt met den diensttijd en met de middelsom der pensioensgrondslagen in de laatste jaren, is naar een ander stelsel gezocht. Het nieuwe stelsel, dat in de artikelen 50, 52, 57, 58, 60 en 61 is neergelegd, gaat van de volgende gedachten uit.

Om aanspraak op pensioen te hebben moet een ambtenaar in het algemeen op zekeren diensttijd kunnen wijzen (art. 43 lid 3). Het bedrag van zijn pensioen wordt, van uitzonderingen afgezien, verder door den duur van zijn diensttijd en de (hoogste) middelsom zijner pensioensgrondslagen bepaald (art. 50). Ten aanzien van den ambtenaar die gedurende zijne gansche ambtelijke carrière slechts één betrekking heeft bekleed, valt de toepassing van deze regels niet moeilijk. Men heeft enkel te vragen naar den duur dier ééne betrekking en naar de pensioensgrondslagen, die daaraan verbonden zijn geweest. Wie b.v. op vijfenzestigjarigen leeftijd het ambt verlaat dat hij 30 jaar lang vervuld heeft, krijgt, aangenomen dat de pensioensgrondslag de eerste, de tweede en de derde 10 jaar onderscheidenlijk f 2000, 2500 en 3000 bedroeg, 30 maal 2% der (hoogste) middelsom (f 60) d.i. f 1800 pensioen. Vg. artt. 43 en 50.

Moeilijkheden doen zich eerst voor, als een ambtenaar achtereenvolgens, b.v- telkens gedurende 10 jaar, in 3 betrekkingen,

Sluiten