Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groote kapitaalverzameling in één hand plaats heeft, nóch het.feit dat de baten van een fonds uit den aard der zaak, door koersverschillen, aan schommeling onderhevig zijn; noch eindelijk de moeilijkheden, aan het beheer der kapitalen verbonden, hebben er toe kunnen leiden, een andere beslissing voor te stellen. Wat het laatste betreft, èn wat personeel èn wat inrichting betreft, is • het tegenwoordige pensioenfonds, dat in het nieuwe fonds zal kunnen opgaan, behoorlijk geoutilleerd. De kapitaalophooping is bij dat fonds geen overwegend bezwaar gebleken. Integendeel heeft men wegen gevonden om een veilige belegging te doen gepaard gaan met een belegging die voor verschillende algemeene nationale belangen nut afwerpt. En wat de koersverschillen aangaat, inderdaad is de mogelijkheid daarvan niet te loochenen, maar bij veilige belegging — en juist de laatste jaren hebben op dit punt een en ander geleerd — is het gevaar daarvan niet overwegend. Overigens staat tegenover de kans op verlies bij sommige fondsen de kans op winst wegens koersrijzing van andere fondsen terwijl, waar van liquidatie van het fonds en dus van algeheelen verkoop der effecten geen sprake zal zijn, bij het opmaken der balansen bovendien andere grondslagen van berekening kunnen wordeji gevolgd dan de marktwaarde van het oogenblik, zoodat met tijdelijke koersafwijkingen geen rekening behoeft te worden gehouden.

De instelling van het pensioenfonds zal den Staat op aanzienlijke offers komen te staan. Terwijl uit de Staatsbegrooting voor 1920 blijkt, dat de uitgaven aan pensioenen voor de burgerlijke ambtenaren en onderwijzers in dat jaar worden

begroot op f ' 6 825 000

en daartegenover aan kortingen . . . . 5 000 000

wordt ontvangen, zoodat de Staatsbegrooting

voor dat jaar wordt belast met een uitgave van f 1 825 000 blijkt uit het wiskundig verslag dat, wanneer het pensioenfonds op 1 Januari 1920 in werking treedt, de Staat voor dat jaar in het pensioenfonds heeft te storten: A. indien slechts premievrij eigen pensioen wordt verleend:

1°. 10 °/o van de som der pensioensgrondslagen fl5,5millioen

2°. een 40-jarige annuïteit tot dekking van de loopende eigen pensioenen en van de reserve voor de toekomstige eigen pensioenen der op 1 Januari 1920 in dienst zijnde ambtenaren en onderwijzers . . . f 16,1 millioen

f 31,6millioen.

B. in de onderstelling, dat ook nremievrii

weduwe- en weezenpensioen wordt toegekend, bovendien:

1°. 6'/3 o/0 van de som der pensioensgrondslagen f9 miilioen

2°. een 40-jarige annuïteit tot dekking van de loopende weduwe- en weezenpensioenen der op 1 Januari 1920 in dienst zijnde en gepensionneerde ambtenaren en onderwijzers (na aftrek van de bezittingen „ van het weduwen- en weezenfonds ad

f 71 millioen) '. f 2,5millioen

f ll,5millioèn

derhalve voor 1920 in totaal f 31,6 millioen -f- f 11,5 millioen = f43,1 millioen. *j

Deze bedragen zullen in verband met de snelle periodieke verhoogingen der traktementen en de uitbreiding van het ambtenarenkorps nog aanzienlijk toenemen.

\ ?^ de beoordeeling van dit bedrag heeft men rekening te houden met de omstandigheid, dat een deel er van het gevolg is van vroeger ontstane tekorten, zoodat de cijfers van f 1825 000 en van f431 millioen niet eenvoudig als de kosten van het tegenwoordige en van net nieuwe stelsel tegenover elkaar mogen worden gesteld.

Sluiten