Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in gevallen waarin de betrokkene meent dat zulk een uitreiking ten onrechte achterwege blijft en hij van zijn eigen bestuur geen aanstelling kon krijgen, hij zich tot den Pensioenraad zal wenden. Oordeelt die Raad dat geen aanstelling met het oog op pensioenbelangen vereischt is (b.v. dat de betrokkene behoort tot een der in artikel 3 uitgezonderde groepen) dan zal hij dat aan den betrokkene te kennen geven, die dan ingevolge artikel 116 beroep bij den Centralen Raad kan instellen. Oordeelt hij echter dat wèl een aanstelling in afschrift had moeten zijn uitgereikt, dan deelt hij dat aan het tot uitreiken bevoegd gezag mede. Voldoet dat gezag dan aan den wensch van den Pensioenraad niet, dan vraagt de Pensioenraad een beslissing van den Centralen Raad van Beroep, wiens beslissing dan voor de schriftelijke aanstelling in de plaats treedt. Bovendien is dan voor den tijd gelegen tusschen den aanvang der dienstbetrekking en het einde der maand van beslissing van den Centralen Raad, door het nalatig gezag voor zulk een ambtenaar een extra-betaling verschuldigd, die practisch neerkomt op een verdubbeling der bijdrage. Door een dergelijke regeling mag men aannemen dat verzuim waarvan de betrokkene blijvend het slachtoffer zal worden, in den regel zal zijn uitgesloten.

Echter moet nog tegen een andere mogelijkheid worden gewaakt, n.1., dat er eene zekere overeenstemming tusschen den ambtenaar en zijn bestuur zou bestaan, om, althans voorloopig, hem niet bij het Pensioenfonds te doen bekend worden. Men denke b.v. aan het geval van een tijdelijken ambtenaar, die misschien wèl, misschien niet, vast zal worden aangesteld. Het is zeer denkbaar, dat zulk een ambtenaar er geen bezwaar tegen heeft, dat zijn bestuur hem geen aanstelling geeft en dus ook geen afschrift doet toekomen aan den Pensioenraad. Verdwijnt hij na korten tijd uit den dienst, dan heeft hij zelf geen schade en het bestuur heeft de bijdrage van artikel 36 uitgespaard, ten nadeele van het fonds. Blijft hij echter in dienst, dan wordt hij alsnog opgegeven aan den Pensioenraad, een aanstelling wordt alsnog uitgereikt en de achterstallige bijdrage wordt alsnog betaald, voorzoover zij althans niet zal blijken te zijn verjaard. Om dergelijke practijken af te snijden, is artikel 31 ingevoegd, dat het risico mede op den ambtenaar zeiven legt. Zou hij, in het evenbedoelde geval dat hij eerst na enkele jaren wordt opgegeven, zijn beklag over het achterwege blijven van een schriftelijke aanstelling niet aan den Pensioenraad hebben gedaan, dan tellen de jaren, verloopen vóór de toezending van de aanstelling of de daarvoor in plaats tredende beslissing, voor het pensioen niet mede. Het nalatige publiek gezag wordt echter natuurlijk niet van zijn verplichting tot betaling ontheven, behoudens dan in het geval van verjaring.

Een analoge regeling, zij het met een andere. sanctie, bepaalt de wet voor onbezoldigden en zijdelingers. Het is voor de practijk van groot belang, dat ook van het in dienst nemen van de zoodanigen uit schriftelijke gegevens blijkt. Men zie artikel 31, lid 2 in verband met artikel 40.

Artikel 29. Waar het hier niet de benoeming geldt, maar een uitvoeringshandeling als gevolg van een gedane benoeming, behoort in het algemeen een uitvoerend orgaan met de in het artikel bedoelde taak te worden belast.

Artikelen 32—35. Deze artikelen, die het bedrag bepalen dat als „wedde" zal medetellen, sluiten vrijwel aan bij hetgeen in de bestaande pensioenwetten voorkomt. Echter scheen er geen voldoende reden te bestaan om over te nemen de bepaling dat inkomsten die deels belooning zijn en deels vergoeding van onkosten, aan de waarneming der betrekking verbonden steeds voor althans 2/3 medetellen.

De vaststelling van het bedrag dat in de concrete gevallen als „wedde" in den zin der Pensioenwet moet gelden, zal, mede aan de hand van regelen, bij algemeenen maatregel van bestuur gesteld (artikel 33) door de practijk geschieden.

Wanneer de verschillende elementen van de wedde bekend

Sluiten