Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Detrekkingen naast het Ministerschap afzonderlijk geregeld, volgens de daarvoor geldende bepalingen.

Het laatste lid van het artikel maakt een uitzondering op het, in overeenstemming met de geldende wet, uitgesproken beginsel, dat cumulatie van pensioen en wedde onbeperkt is toegelaten. Is het in het algemeen billijk, dat het traktement in nog bekleede betrekkingen onbeperkt blijft gelden naast het pensioen wegens het verlaten ambt — anders is dat ten aanzien van een gewezen Minister, die opnieuw Minister wordt. Van een op grond van langdurigen dienst verdiend pensioen is daar geen sprake. Het pensioen vindt hier zijn grond in de omstandigheid dat hij die zich eenigen tijd aan het zware Ministerschap heeft gegeven, en zich heeft moeten losmaken van al zijn vroegere betrekkingen zonder dat na zijn aftreden andere aanstonds voor hem openstaan, zeker moet zijn, een voldoend levensonderhoud te vinden. Daartoe is echter na de aanvaarding van een nieuw Ministerschap het pensioen niet meer noodig. Alleen blijft echter rusten het eigenlijke Ministerspensioen, niet ook een mogelijke verhooging ingevolge het tweede lid van artikel 63.

Artikel 64. De in dit artikel neergelegde regeling van cumulatie van pensioenen komt overeen met de bestaande regeling, met deze uitzondering dat cumulatie met Koloniale pensioenen is toegelaten en dat de bedragen, waartoe men pensioen ten laste van het fonds kan genieten, zijn verhoogd, nu ook het maximum-pensioen zelf hooger kan zijn. Het beginsel deibeperkte cumulatie is, met het evengenoemd voorbehoud, gehandhaafd — in tegenstelling met de regeling omtrent wedde en pensioen, waar onbeperkte samenloop is voorgesteld. Het is toch iets anders, of het loon voor denkarbeid blijft voortbestaan naast een verworven pensioen, dan of men voor het gezamenlijk bedrag der pensioenen een onbeperkt beroep op het fonds open laat. Uitgaande van het denkbeeld, dat pensioen bedoelt een voldoende levensonderhoud te waarborgen, is aan het beoogde doel voldaan, wanneer een genoegzaam bedrag is verzekerd, ook al zou men in onderscheidene pensioensgerechtigde betrekkingen hebben gediend.

Waar de vraag kan worden gesteld, of het pensioen, bedoeld in het derde lid van artikel 89 der Grondwet, wel „pensioen" in den eigenlijken zin van het woord is, maar het in de rede ligt en door de billijkheid geboden wordt dat het voor de toepassing van dit artikel 64 op één lijn met de gewone pensioenen wordt gesteld, is er hier uitdrukkelijk melding van gemaakt.

Artikel 65. Dit artikel kan bezwaarlijk worden gemist, nu tal van personen zoowel door de bepalingen van de Ongevallenwet of de Invaliditeitswet, als door die van de Pensioenwet zullen worden bestreken, of een ouderdomspensioen en een gratis-ouderdomsrente zullen kunnen genieten. Er is geen reden, het een naast het ander toe te kennen. De regeling komt hierop neer, dat steeds het hoogste van beide bedragen zal worden genoten.

Artikel 66. Men zie hetgeen op blz. 10 en 11 van het algemeene deel is aangeteekend. Door de onderdeelen van het artikel is getracht de beginselen van de regeling in overeenstemming te brengen met billijke waarborgen voor den gepensionneerde.

. Ten einde niet in schattingen te behoeven af te dalen, waarvoor geen redelijke zekerheid bestaat, is bepaald dat de vermindering der verhooging niet geschiedt dan tot al4,yi/t of 74 van het bedrag daarvan. Het behoeft geen betoog, dat bij twijfel in het voordeel van den betrokkene zal belmoren te geschat.

Het onderzoek, waarvan in het eerste lid sprake is, zal een medisch onderzoek kunnen zijn, maar niet steeds behoeven te zijn. De mogelijkheid bestaat, dat de lichamelijke en geestelijke toestand zóó duidelijk is, dat een geneeskundig onderzoek niet meer noodig is te achten.

Sluiten