Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dezen factor is voor de berekening van de weduwe- en [ § 3. Berekening van de contante waarde der lasten van

weezenpensioenen van geringe beteekenis, zoodat bij de de op 31 December 1916 in dienst zijnde burgerlijke ■

samenstelling van deze tafel voor de 5e wetenschappelijke ambtenaren en onderwijzers.

balans daarmede geen rekening is gehouden. Voor de berekening (Staten 4 8 en 14 18 )

van de eigen pensioenen kan deze invloed van belang zijn en

daarom is eerst getracht een sterftetafel samen te stellen, die jje tweede en belangrijkste post onder de lasten is de contante

hiermede rekening hield. De verkregen uitkomsten bleken waarde der toekomstige pensioenen van de op 31 December

echter zeer onregelmatig te loopen en onbruikbaar te zijn. [n dienst zijnde burgerlijke ambtenaren en onderwijzers.

De oorzaak hiervan ligt deels in het aantal waarnemingen Daar voor deze categorie het ontwerp der Staatscommissie ten

dat bij splitsing naar den duur geringer wordt, deels in de om- volle toepasselijk is, moest deze berekening zoowel voor den

standigheid dat het materiaal niet homogeen is. Beter resultaten nieuwen als voor den ouden toestand worden verricht. In de

zouden waarschijnlijk worden verkregen, indien ook hier de eerste plaats zijn hiervoor noodig de pensioenfactoren Ix + ,. Daar

sterftewaarnemingen van de ambtenaren, wier recht op pensioen deze ten nauwste samenhangen met de wijze, waarop het

op 55 jaar ingaat, afzonderlijk konden worden bewerkt, waar- pensioen krachtens het ontwerp en krachtens den bestaanden

tegen dezelfde bezwaren bestaan als hiervoor is vermeld. Daar toestand wordt berekend, zal in de eerste plaats een overzicht

het een te langdurig onderzoek zou vereischen homogeen worden gegeven van de bepalingen, die op de grootte van deze

materiaal samen te stellen, waren de ondergeteekenden ge, factoren den meesten invloed uitoefenen, noodzaakt de sterftetafel voor mannelijke gepensionneerde en

op wachtgeld gestelde ambtenaren onveranderd over te nemen. Ontwerp der Staatscommissie. I Bestaande toestand.

Uit het bovenstaande • blijkt dat de geheele berekening als ' ^J"-r — '1- • . . „ . , . ,

, , J ,& , , ;° 1. Recht op pensioen ont- 1. Recht op pensioen ont-

een vrn ruwe benadering moet worden beschouwd. Hierop , . «.V , ...., - . . . . , „..., ,

, J , ; , ' . j .... ,. staat op 65-langen leeftijd of staat op 6o-iangen leeftijd of

wenschen wn met nadruk de aandacht te vestigen. ... . . % , . . . '. , , , .J ,.

■ „ J, . „. . .. , .... ° . , bn vroeger intredende mvahdi- bij vroeger intredende mvah-

De' voor de in dienst zijnde vrouwelijke ambtenaren en ... .? _ . . ,. , ... .. ?. ... , ...

J .. J , , ., „ teit, mits men i jaar in dienst diteit, mits men 10 jaar (althans

dnderwiizeressen gebruikte gegevens zijn opgenomen in staat 12. . , D.. . ., . ... . ... . ,. . .

, , Jn ° i , , . is geweest. Bij invaliditeit in bi invaliditeit) in dienst is

Voor de gepensionneerde vrouwelijke ambtenaren en onder- en doQr den dienst t het st Bij invaliditeit in en

wijzeressen is wegens een te gering aantal waarnemingen recht ioen dadelijk in. door den dienst gaathet recht

dezelfde tafel als voor de mannen toegepast (staat 2). op pensioen dadelijk in.

Een niet minder belangrijke grondslag is de rentevoet. In 2. Het pensioen bedraagt voor 2. Het pensioen bedraagt

overleg met de overige leden der Commissie is hiervoor aan- elk dienstjaar 2 pet. van den ge- voor elk dienstjaar y60 van den

genomen 4 pCt., welke rentevoet ook in de 5e Wetenschappelijke middelden pensioensgrondslag gemiddelden pensioensgrond-

Balans is gebruikt. Hoewel in de eerste jaren het rendement dei 3 laatste Jaren (in sommige slag der 5 laatste jaren (of van

der beleggingen waarschijnlijk hooger zal zijn — men denke gevallen de 10 laatste dienst- het laatste jaar bij de openbare

b. v.'aan de 6 % Indische leening en de verschillende ÖV» % jaren of zelfs alle dienstJ'ai'en) onderwijzers). >)

Gemeentelijke leeningen — is in de latere jaren een geringer niaar met minder dan 30 pet.

rendement dan het onderstelde bedrag van 4 °/0 geenszins 3. Het maximum pensioen 3. Het maximum pensioen uitgesloten. Bedenkt men dat juist bij pensioenen de berekeningen bedraagt 70 pet. van den hier- bedraagt 8/3 van den zoo even op een lang tijdsverloop betrekking hebben, zoo veidient het boven genoemden gemiddelden genoemden gemiddelden penderhalve ten zeerste aanbeveling de winsten, die waarschijnlijk pensioensgrondslag en wordt sioensgrondslag en wordt derin de eerste jaren op de beleggingen worden verkregen, niet derhalve bereikt na 35 dienst- halve bereikt na 40 dienstte bezigen tot verhooging der pensioenen of tot verlaging der jaren. jaren.

bijdragen doch als extra-reserve op zijde te leggen tot dekking 4 De ^ yaQ het 4 De graotte van het pen-

van eventueele verhezen in de toekomst. sioen kan een bedrag van sioen kan een bedrag van

f 4000 niet overschrijden. f 3000 niet overschrijden.

§ 2. Berekening van de lasten der op 31 December 1916 5. Bij invaliditeit in en door 5. Bij invaliditeit in en door

loopende eigen pensioenen. den dienst wordt het op de den dienst bedraagt het pen-

(Staten 3 en 13) gewone wijze berekende pen- sioen onafhankelijk van den

sioen verhoogd met een toeslag diensttijd */3 van den meer-

Staten 3 en 13 bevatten een overzicht van de op 31 December waarvan de grootte afhangt vermelden gemiddelden pen-

1916 loopende eigen pensioenen voor ambtenaren en onder- van den graad der invaliditeit, sioensgrondslag.

wijzers elk afzonderlijk Uit deze staten blijkt dat het aantal ZoQals gtraks nader ^ bliJken ig met deze be alingen in

gepensionneerde man^nelijke en vrouwelijke ambtenaren op hoofdzaak rekening gehouden, behalve met die sub 4°. en 5°. Het

31 December 1916i 5596 bedroeg en het totaal bedrag hunner iny()eren yan degub 40 vermelde voorwaarde in de formule van

pensioenen f 4 381 377 ; voor de onderWnzers en onderwijzeressen d(m ensioenfactor j , stuitte op groote technische bezwaren,

waren deze cijfers resp. 2811 en f j 924 834. De contante r , ' , , ,

waarde dezer pensioenen wordt verkregen door vermenigvuldiging Daarom 18 besloten met deze voorwaarde geen rekening te

met de lijfrente, voorkomende in kolom 5 van staat 2. Op deze üouden- De lasten z«n derhalve bepaald in de onderstelling

wijze is na aanbrenging van een correctie voor betaling in dat de grootte van het pensioen aan geen maximum gebonden is.

termijnen gevonden- Z*> ziJn dus te hoog geraamd. Hiertegenover staat, zooals later

zal blijken, dat ook de bijdragen, althans volgens den bestaanden

Mannen Vrouwen Totaal toestand, te hoog in rekening zijn gebracht. Het eindresultaat

voor de ambtenaren f 31 776 860 f 836 379 f 32 613 239 is echter in elk geval aan den veiligen kant. Eveneens leverde

voor de onderwijzers 12036307 4170870 16207 177 het berekenen van de sub 5°. vermelde verhooging groote moeilijk-

heden op, zoodat deze verwaarloosd is. Hoewel hierdoor derhalve

Totaal f 43 813167 f5 007 249 f 48 820 416 de lasten te gunstig zijn voorgesteld, houde men in het oog,

Daar in het ontwerp der Staatscommissie geen bepaling J) De berekeningen zijn geschied op een tijdstip voorafgaande aan

omtrent verhooging der reeds toegekende pensioenen voorkomt, d,ei\ d*tïï5i,van stand komen der wet van 14 Juli 1919 (Staats-

j-i. l ii. j u -j if i i- i „j tt x • i blad n°. 493). waarbii o. m. het pensioen van de bijzondere onderwijzers

is dit totaalbedrag voor beide balansen hetzelfde. Het is als eveneens w'ordt berekend naar den pensioensgrondslag over het

post 1 onder de lasten in de staten 31 en 32 uitgetrokken, laatste jaar.

Sluiten