Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopbaan kan derhalve eene zeer afwisselende zijn geweest. Daarmede gaat dan gewoonlijk gepaard het verschijnsel, dat de wedden — veel meer dan dit vroeger geschiedde — aan rijzing en daling onderhevig zijn.

Een en ander nu, mag niet worden opgevat in dien zin, dat in den regel de loopbaan der ambtenaren een zeer afwisselend verloop heeft _ en dat een eenvoudig verloop en regelmatige opklimming tot de uitzonderingsgevallen zouden behooren. Het tegendeel is waar. Maar waar is ook, dat de afwijkingen van den regel talrijk zijn en dat daarmede bij de keuze van het stelsel van pensioensberekening ter dege rekening behoort te worden gehouden.

In de tweede plaats kan het oude beginsel, naar het voorkomt billijke eischen niet meer bevredigen, wijl het steeds moet leiden tot een zeer ongelijkmatige vergelding van bewezen dienst met pensioen m. a. w. het pensioensbedrag in hoöge mate afhankelijk doet zijn van het toevallig verloop der ambtelijke loopbaan.

Deze bezwaren kunnen, naar de meening van óndergeteekende, niet door amendeering van het meerderheids stelsel worden ondervangen. Op dien grond schijnt aan een ander stelsel de voorkeur te moeten worden gegeven.

In de navolgende bladzijden zal, in Hoofdstuk I, van evenbedoelde bedenkingen een overzicht worden gegeven. In Hoofdstuk II zal het door óndergeteekende aanbevolen stelsel worden uiteengezet. Voorts zullen in Bijlage A een aantal voorbeelden worden gegeven, waarin de resultaten der pensioenberekening volgens de verschillende stelsels uitgevoerd, worden duidelijk gemaakt en vergeleken. Eindelijk bevat Bijlage B de wijzigingen, wélke het door de meerderheid der Commissie aanvaarde ontwerp zou ondergaan bij aanvaarding van het door óndergeteekende aanbevolen stelsel. Kortheidshalve zal het meerderheidsontwerp worden aangeduid als „wetsontwerp I", het gewijzigde ontwerp,'als „wetsontwerp II". (])

Nog zij er op gewezen, dat deze nota uitsluitend betrekking heeft op de berekening van de eigen pensioenen der ambtenaren.

De wijze, waarop tot dusver de weduwen-pensioenen werden berekend heeft nimmer tot moeilijkheden aanleiding gegeven en ook voor de toekomst worden daarvan geen bezwaren voorzien. Het zou derhalve geen zin hebben in dit opzicht meer ingrijpende veranderingen voor te stellen, dan die in het wetsontwerp I zijn opgenomen.

HOOFDSTUK I.

De meei derheid achtte, in beginsel en —waarover later— eventueel noodige correctie's daargelaten, -wenschelijk, behoud van het stelsel der bestaande wetgeving, volgens hetwelk, in het algemeen, het pensioen wordt berekend, voor ieder dienstjaar naar eene fractie jan de middelsom der gedurende het laatste tijdperk van /den dienst genoten wedde.

Dit wil dus zeggen, dat de pensioensberekening geschiedt naar twee factoren, nl. naar den diensttijd en naar de aan het einde der ambtelijke loopbaan genoten wedde.

De strekking van laatstgenoemden factor is, den ambtenaar een pensioen te verzekeren, dat verband' houdt met den laatstelijk door hem verworven levensstandaard. Die strekking treedt duidelijk aan het licht, wanneer men zich denkt het geval, dat een ambtenaar, wiens wedde gedurende de laatste jaren zijner ambtsvervulling b. v. f 2400— bedroeg, na 40-jarigen dienst met aanspraak op pensioen wordt ontslagen. Hij ontvangt dan, naar. de thans geldende voorschriften, een pensioen van s/s X f2400— = f 1600— dat hem — zoo niet geheel — dan toch eenigermate in staat stelt naar den laatstelijk verworven levensstandaard te blijven leven.

(]) De redactie van Wetsontwerp II zal stellig voor verbetering vatbaar zijn. Niet onbelangrijke gedeelten daarvan konden eerst worden bewerkt, na de definitieve vaststelling van Wetsontwerp 1. De bewerking moest, ten einde vertraging van de indiening van het Verslag der commissie te voorkomen, binnen den kortst mogèlijken tijd geschieden.

Sluiten