Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pensioen even hoog als dat van eenen collega, die vijftien jaren zijne betrekking onder gelijke omstandigheden vervulde (15 X 2 % — 30 % (minimum). Zelfs is het mogelijk, dat de ongelijkmatige vergelding van 'de bewezen diensten nog scherper op den voorgrond treedt. Men zie het voorbeeld bijl. A n0., 2.

Is in het hiervoor gestelde getracht aan te toonen, dat tegen de onontbeerlijke correctie's van het stelsel in het ontwerp opgenomen, gewichtige bedenkingen zijn aan te voeren, thans worde de reeds hierboven terloops aangevoerde grief tegen dat stelsel nader in het licht gesteld. In de beide onder de aandacht gebrachte voorbeelden toch is er reeds op gewezen hoezeer de toevallige loop der ambtelijke carrière het bedrag van het pensioen beïnvloedt.

Het is vooral in de gevallen, waarin twee of meer betrekkingen gelijktijdig worden bekleed, dat de hier ontwikkelde bedenking sterk op den voorgrond treedt. Een en ander moge alsnog door middel van de voorbeelden nos. 3 en 4 worden duidelijk gemaakt. Uit voorbeeld n°. 3 ziet men in welke mate de pensioensbedragen uiteenloopen, hoewel het toch billijk en rationeel ware, dat bij volkomen gelijke dienstprestatie pensioenen tot gelijk bedrag werden toegekend. Er is hier inderdaad geen enkele reden te vinden, waarom de eene ambtenaar boven den ander zou worden bevoordeeld.

Treffend is ook bij vergelijking van de gevallen P en Q in dit voorbeeld, de plotselinge daling van het pensioen in eerstbedoeld geval. Terloops zij er hier op gewezen, dat artikel 58 van het ontwerp beoogt een waarborg te scheppen, opdat niet door een ambtenaar, die het tijdstip zijner pensionneering ziet aanbreken, alsnog, voor enkele jaren, een nevenbetrekking worde aanvaard, ter wille van eene' kunstmatige opdrijving van zijn pensioen. De tegenwoordige wet laat die mogelijkheid open en daarvan wordt inderdaad meermalen gebruik gemaakt.

Het voorbeeld n°. 3 nu illustreert wel duidelijk de ondoeltreffendheid van den in artikel 58 geboden waarborg. Immers door eenige dagen of weken vroeger ontslag te vragen uit het neven-ambt dan uit de hoofdbetrekking (geval Q), had de betrokken ambtenaar de gelegenheid den grondslag in de nevenbetrekking vrijwel ten volle bij de berekening van zijn pensioen te doen medetellen. Beter ware het geweest artikel 58 geheel achterwege te laten, dan een waarborg te scheppen, welke door den ambtenaar, die de wet en zijn belang voldoende begrijpt, zonder moeite kan worden ontgaan. Tevens is echter aangetoond, dat het in het ontwerp aanvaarde stelsel de mogelijkheid van een ernstig misbruik — het opdrijven van het pensioen door het aanvaarden eener nevenbetrekking, wanneer het tijdstip der pensionneering nadert — doet voortbestaan.

Het ontwerp vermag dit euvel niet te keeren. Immers, laat het, bij de bepaling van het pensioen, ook in aanmerking komen wedde in de nevenbetrekking, die, ware zij alleen bekleed, geen aanspraak zou hebben gegeven op pensioen, dan wordt door het beginsel „éénheid van dienst" in verband met de stelling „pensioen naar den laatsten levensstandaard" het pensioen buitensporig omhoog gedreven. Laat het daarentegen — zooals het inderdaad doet — de nevenbetrekking niet meetellen, dan is ontduiking gemakkelijk en niet te keeren, dan door in casuïstiek afdalende voorschriften, die nimmer volledig zijn en de wet zouden ontsieren.

Het voorbeeld n°. 4 doet zien hoezeer het pensioen afhankelijk is van het toevallig verloop der ambtelijke carrière tengevolge van de in wetsontwerp I aanvaarde wijze van diensttijdberekening.

Het laatstelijk gestelde voorbeeld doet voorts reeds eene, in het voorgaande nog niet behandelde schaduwzijde van het ontworpen stelsel voorvoelen. Bedoeld wordt de in menig geval irrationeele wijze van diensttijdberekening. Het is wederom door een voorbeelü, dat dit bezwaar het duidelijkst kan worden aangetoond (zie het voorbeeld n°. 5) waarin een soortgelijk geval is behandeld als in voorbeeld n°. 4 fig. 2. Daaruit blijkt, dat de methode van diensttijd berekening van wetsontwerp I

Sluiten