Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

207

Voorbeeld n°. 6.

Voorbeeld van pensioensberekening na eene normale ambtelijke loopbaan. Het voorbeeld betreft een Departementsambtenaar in 1894 als tweede-klerk in dienst getreden op een aanvangstraktement van f 400 en, na 37 jarigen dienst en geleidelijke promotie, als Referendaris eervol ontslagen in 1931.

400 1894

1 J- Volgens wetsontwerp II bedraagt het pensioen bij pen-

sionneering in 1931, f 1213,33 -f- f 1374,50 = f 2587.83 of

2 J- f 2588.

600

3 i

Volgens wetsontwerp I bedraagt het pensioen: 37 X 2 %

, . van f 4138,33 = f 3058,66, te verminderen (maximum 1 1

qqq pensioen) tot f 2894. 3 j. •

^000 Volgens de bestaande wet zou het pensioen bedragen:

1 j 3760 X f 4040 = f 2491,32 of f 2492. 12Ö0

8 j- I pensioensbedrag op het tijdstip van in werking •

1400 ) treden der nieuwe wet: 36/60 X f 2800 = Opmerking.

2 j. f 1213,33.

1500 Uit vele becijferingen is gebleken, dat in den regel, in de

2 j. gevallen, waarin de ambtenaar gepensionneerd wordt na eene;

1700 langdurige loopbaan, waarin hij zijne wedde regelmatig zag

17s j< stijgen, de berekening volgens het wetsontwerp II een. hooger

1800 pensioen oplevert, dan die volgens de bestaande wet, terwijl

l1/s j- het hoogste pensioen wordt verkregen bij berekening volgens

1900 wetsontwerp L De in voorbereiding zijnde nieuwe salaris-

IV2 .1- regeling kon, bij deze berekeningen, niet worden toegepast.

2000 Voor de toekomstige ambtenaren, die op aanmerkelijk hooger

lVs i- aanvangswedden zullen worden aangesteld dan in 1894 het

2400 geval was, en wier aanvangs- en eindwedden minder ver

1 j- zullen uiteenloopen, zullen de pensioensbedragen, volgens

2800 ' tijdstip van inwerking treden der nieuwe wet. wetsontwerp II berekend, hooger zijn.

29Ó0

1 }■ 3000

2 j. 3200

1 j-

-. • som der grondslagen = f 39 300, waarvan

3600 3>5 % = 1374,50,

1 j3800

1 J.' 4000

2 j. 4200

2 i. 1931

55

Sluiten